Karcher ICC 1 D Adv: Voor ingebruikneming

Voor ingebruikneming: Karcher ICC 1 D Adv

background image

Nederlands

 79

Waarschuwing

Het apparaat is uitgerust met een voetrem 

die tevens dient als parkeerrem.

Î

Omschakelen naar bedrijfsmodus „Par-

keerrem“ (P).

Î

Op de rempedaal drukken.

Î

Rempedaal induwen en ingedrukt hou-

den.

Î

Omschakelen naar bedrijfsmodus „Voe-

trem“.

Waarschuwing

Het apparaat werd voor een veilig transport 

met spanriemen, koorden of kettingen be-

veiligd.

Ga bij het afladen als volgt te werk:

Î

Parkeerrem vastzetten.

Î

Spankabels, koorden of kettingen van 

de transportogen verwijderen.

Het apparaat kan op 2 manieren bewogen 

worden:

(1) Apparaat schuiven (zie veegmachine 

zonder zelfaandrijving bewegen).

(2) Apparaat verrijden (zie veegmachine 

met zelfaandrijving bewegen).

Î

Achterste afdekking losschroeven.

Î

Vrijloophefboom omleggen (schuifwer-

king).

Waarschuwing

Beweeg de veegmachine zonder zelf-

aandrijving niet over lange afstanden en 

niet sneller dan 10 km/h.

Î

Vrijloophefboom omleggen (rijwerking).

Î

Veegmachine op een egaal oppervlak 

neerzetten.

Î

Contactsleutel uitnemen.

Î

Parkeerrem vastzetten.

Gevaar

Explosiegevaar!

Uitsluitend de in de gebruiksaanwijzing 

aangegeven brandstof mag worden ge-

bruikt.

Niet in gesloten ruimtes tanken.

Roken en open vuur is verboden.

Let erop dat er geen brandstof op hete 

oppervlakken komt.

Î

Motor uitzetten.

Î

Tankdop openen.

Î

Alleen apparaat met diesel: diesel tan-

ken.

Î

Alleen apparaat met benzine: normale 

loodvrije benzine tanken.

Î

Tank maximaal tot 1 cm onder de on-

derkant van de vulpijp vullen, omdat de 

brandstof bij warmte uitzet.

Î

Overgelopen brandstof wegvegen en 

vuldop van brandstoftank sluiten.

– Hoeveelheid brandstof van te voren 

schatten, om overlopen te verhinderen.

– Pistool van brandstofvulslang zo ver 

mogelijk in de vulpijp stoppen. Zodra 

het volgens voorschrift gebruikte pistool 

van de brandstofvulslang voor de eerste 

keer afslaat, dan niet meer verder tan-

ken.

Î

Motoroliepeil controleren.

Î

Oliepeil van het hydraulisch systeem 

controleren.

Î

Radiateur controleren en onderhouden.

Î

Luchtdruk banden controleren.

Î

Chauffeursstoel instellen.

Î

Kanaal zuigturbine controleren.

Î

Instelling zuigmond controleren.

Î

Installaties betreffende de lichttechniek 

controleren, of ze functioneren.

Î

Signaal- en waarschuwingsinstallaties 

controleren, of ze functioneren.

Î

Watertank vullen.

Waarschuwing

Beschrijving zie hoofdstuk Reparaties en 

onderhoud.

Waarschuwing

Vastgestelde mankementen moeten direct 

verholpen worden of het voertuig moet bui-

ten bedrijf gesteld worden.

Î

Hefboom stoelverstelling naar buiten 

trekken.

Î

Stoel verschuiven, hefboom loslaten en 

vastzetten.

Î

Door vooruit- en terugbewegen van de 

stoel controleren of hij vast zit.

Helling van de rugleuning instellen:

Î

rugleuning ontlasten.

Î

Ontgrendeling van de rugleuning naar 

boven trekken.

Î

Helling van de rugleuning veranderen 

door de stand van het bovenlichaam.

Î

Ontgrendeling loslaten.

Î

Knop indrukken.

– Uitgetrokken: max. toerental

– Ingeschoven: min. toerental

Î

Aan de knop draaien.

– In de richting van de wijzers van de klok: 

min. toerental

– Tegen de wijzers van de klok in: max. 

toerental

Î

Op de chauffeursstoel plaatsnemen.

Î

Gaspedaal niet indrukken.

Î

Parkeerrem vastzetten.

Î

Regeling motortoerental 1/3 uittrekken.

Î

Contactsleutel op positie „I“ draaien.

Voorgloeilamp licht op.

Voor ingebruikneming

Parkeerrem/voetrem

Afladen

Veegmachine zonder zelfaandrij-

ving bewegen

Veegmachine met zelfaandrijving 

bewegen

Ingebruikneming

 Algemene aanwijzingen

Tanken

Tanken met jerrycan

Tanken met pistool van brandstofvul-

slang

Controle- en onderhoudswerkzaam-

heden

Gebruik

Chauffeursstoel instellen

Motortoerental verstellen

Grove verstelling

Fijne verstelling

Apparaat starten

Voorgloeien (alleen apparaat met diesel)

background image

80 

Nederlands

Î

Wanneer de voorgloeilamp uitgaat, de 

contactsleutel op positie „II“ draaien.

Î

Is het apparaat gestart, dan contact-

sleutel loslaten.

Î

Choke uittrekken.

Î

Contactsleutel in stand „II“ draaien.

Î

Indien de motor start, de contactsleutel 

loslaten.

Î

Indien de motor draait, choke langzaam 

terugschuiven.

Tip

 De startmotor nooit langer dan 10 secon-

den gebruiken. Voor het opnieuw gebruiken 

van de startmotor minstens 10 seconden 

wachten.

Î

Regeling motortoerental volledig uit-

trekken.

Î

Rempedaal induwen en ingedrukt hou-

den.

Î

Omschakelen naar bedrijfsmodus „Voe-

trem“.

Î

Gaspedaal "vooruit" langzaam indruk-

ken. 

Gevaar

Gevaar voor verwonding! Bij het achteruit-

rijden mogen derden niet in gevaar ge-

bracht worden, eventueel aanwijzingen 

laten geven.

Î

Gaspedaal "achteruit" langzaam indruk-

ken. 

Tip

Rijgedrag

– Bij het achteruitrijden klinkt een waar-

schuwingssignaal.

– Met het gaspedaal kan de rijsnelheid 

traploos geregeld worden.

– Vermijd schokkerig gebruik van het pe-

daal, omdat de hydraulische installatie 

anders beschadigd kan raken.

– Bij capaciteitsafname op hellingen het 

rijpedaal zachtjes terugnemen.

– Wisseling van rijrichting pas na stilstand 

van het voertuig doen.

Î

Rijpedaal loslaten, het apparaat remt 

zelf en blijft staan.

Tip

De remwerking kan door drukken op de 

voetrem ondersteund worden.

Waarschuwing

Zijbezems en zuigmond voor het rijden over 

hindernissen opheffen.

Hindernissen tot een hoogte van 150 mm:

Î

langzaam en voorzichtig in een hoek 

van 45° voorwaarts over hindernis rij-

den.

Hindernissen van meer dan 150 mm hoog-

te:

Î

Er mag alleen over hindernissen heen 

gereden worden met een geschikte op-

rijdrempel.

Waarschuwing

Gevaar voor beschadiging! Verzeker u er-

van, dat het voertuig niet erop rust.

Gevaar

Gevaar voor verwonding! Bij geopende 

grofvuilklep kan de veegwals stenen of split 

naar voren wegslingeren. Erop letten, dat 

geen mensen, dieren of voorwerpen in ge-

vaar gebracht worden.

Waarschuwing

Geen pakbanden, draden of soortgelijk ma-

teriaal opvegen; dat kan leiden tot een be-

schadiging van de zuigturbine.

Waarschuwing

Om beschadiging van de grond te vermij-

den, niet de veegmachine op één plaats ge-

bruiken.

Tip

Om een optimaal reinigingsresultaat te krij-

gen, moet de rijsnelheid aan de omstandig-

heden aangepast worden.

Tip

Tijdens het gebruik moet het veeggoedre-

servoir op gezette tijden geledigd worden.

Î

Hendel naar voren duwen. Zijbezems 

en zuigmond worden neergelaten.

Waarschuwing

De zijbezems worden automatisch inge-

schakeld.

Î

Hendel naar achteren trekken. Zijbe-

zems en zuigmond worden opgeheven.

Î

Toerental zijbezems instellen door mid-

del van de hendel.

Î

Op de schakelaar sproeiwater drukken.

Het sproeiwater voor de stofbinding voor 

zijbezems en zuigmond wordt geactiveerd.

Î

Waterhoeveelheid in het zuigkanaal 

met het regelventiel instellen.

Î

Waterhoeveelheid van de zijbezem-

sproeiers met het regelventiel instellen.

Motor starten (alleen apparaat met die-

sel)

Motor starten (alleen apparaat met ben-

zine)

Apparaat verrijden

Vooruit rijden

Achteruit rijden

Remmen

Over hindernissen heen rijden

Veegbedrijf

Zijbezems opheffen/laten zakken

Toerental zijbezems inschakelen

Sproeiwater in-/uitschakelen

Waterhoeveelheid in het zuigkanaal in-

stellen

Waterhoeveelheid van de zijbezem-

sproeiers reguleren.

Zuigturbine in-/uitschakelen

Оглавление