Hach-Lange POLYMETRON 9523 Basic User Manual: Installatie

Installatie: Hach-Lange POLYMETRON 9523 Basic User Manual

Installatie

V O O R Z I C H T I G

Diverse gevaren. Alleen bevoegd personeel mag de in dit deel van het document beschreven taken

uitvoeren.

Bevestiging van de analyser

Bevestig de analyser op een stabiel verticaal oppervlak. Raadpleeg de volgende richtlijnen en

Afbeelding 2.

Opmerking: Als er een externe controller wordt gebruikt, raadpleeg dan de documentatie van de controller voor

bevestigingsinstructies.

Plaats het instrument op een plaats die toegankelijk is voor bediening, onderhoud en kalibratie.

Zorg dat het display en de bedieningsknoppen goed zichtbaar zijn.

Houd het instrument uit de buurt van warmtebronnen.

Houd het instrument uit de buurt van trillingen.

Houd de monsterslangen zo kort mogelijk om de responstijd te minimaliseren.

Controleer of er geen lucht in de monstertoevoerleiding zit.

Afbeelding 2 Afmetingen

166 Nederlands

Harscartridge plaatsen

Volg de volgende stappen en raadpleeg Afbeelding 3 voor het installeren van de harspatroon.

1. Plaats de stalen buis in de connector voor snel vergrendelen.

2. Duw de stalen buis zo ver mogelijk in de meetkuvet.

3. Neem een harscartridge en draai deze 2 tot 3x ondersteboven en weer terug tot de hars loskomt

van de zijkanten van de cartridge en op de bodem, aan het gedeelte dat tegenover de

markeringslijn ligt, bezinkt.

4. Schroef de dop bovenop de cartridge los bij de markeringslijn. Gooi deze dop en de platte zwarte

afdichtingsdop weg in overeenstemming met de informatie over veiligheid en afvoer voor

gebruikte cartridges.

5. Plaats het uiteinde van de stalen buis in het midden van de patroon.

6. Laat de cartridge langzaam naar boven komen naar de meetcel en schroef deze vast om een

lucht- en waterdichte pasvorm te verkrijgen.

Nederlands 167

Afbeelding 3 Harscartridge plaatsen

Bedradingsoverzicht

Afbeelding 4 toont een overzicht van de bedradingsaansluitingen in de controller wanneer de

hoogspanningsbarrière is verwijderd. De linkerzijde van de afbeelding toont de achterzijde van het

controllerdeksel.

Opmerking: Verwijder de afdekkingen van de connectoren voordat u de module installeert.

168

Nederlands

Afbeelding 4 Overzicht van bedradingsaansluitingen

1

1 Servicekabelaansluiting 5 AC- en DC-voedingsconnector

9 Bedradingsconnector van

1

discrete ingangen

1

1

2 Uitgang 4-20 mA

6 Aardingsklemmen 10 Connector voor digitale sensor

1

3 Connector voor sensormodule 7 Relaisaansluitingen

1

4 Connector voor

8 Connector voor digitale sensor

communicatiemodule (bijv.

Modbus, Profibus, HART,

optioneel 4-20 mA-module, etc.)

1

Aansluitingen kunnen worden verwijderd voor gemakkelijkere toegang.

Hoogspanningsbarrière

De hoogspanningskabels voor de controller worden achter de hoogspanningsbarrière in de behuizing

van de controller geleid. Behalve tijdens het installeren van modules of als een bevoegde

installatietechnicus bedradingen voor netvoeding, alarmen, uitgangen of relais aanbrengt, moet de

barrière op zijn plaats blijven. Verwijder de barrière niet wanneer de controller onder spanning staat.

Voedingsbedrading

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Koppel altijd de voeding van het instrument los bij het maken van

elektrische aansluitingen.

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Als dit apparaat buiten of op mogelijke natte locaties wordt gebruikt, dient

de hoofdstroomvoorziening van het instrument te zijn voorzien van een aardlekschakelaar.

Nederlands 169

G E V A A R

Elektrocutiegevaar. Sluit een instrument dat 24 VDC gelijkstroomvoeding nodig heeft niet aan op een

wisselstroombron.

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Voor bedradingstoepassingen van 100-240 VAC en 24 VDC is een

beschermende aardingsverbinding nodig. Het niet aansluiten op een goed geaarde verbinding kan

leiden tot risico op elektrische schok en slechte prestaties wegens elektromagnetische interferentie.

Sluit ALTIJD een goede aarding op de aansluitingsklem van de controller aan.

L E T O P

Installeer het apparaat op een zodanige plaats en in een zodanige positie dat het goed bereikbaar is om te

worden losgekoppeld of voor bediening.

De controller is verkrijgbaar als model voor voeding met 100-240 V AC of met 24 V DC. Volg de

juiste bedradingsinstructies voor het aangeschafte model.

De controller kan op de netvoeding worden aangesloten door middel van een vaste bedrading in een

kabelbuis of door middel van een netsnoer. Ongeacht de gebruikte bedrading wordt de bedrading

met dezelfde aansluitklemmen verbonden. Er is een lokale uitschakelaar vereist die voldoet aan de

lokale elektrotechnische voorschriften en deze moet voor alle installatietypes worden geïdentificeerd.

Bij toepassingen met vaste bedrading moeten de huisaansluitingen van de net- en veiligheidsaarde

voor het instrument worden uitgevoerd met 18- tot 12-AWG-draad.

Opmerkingen:

De spanningsbarrière moet worden verwijderd, voordat er enige elektrische aansluiting tot stand

wordt gebracht. Breng de spanningsbarrière na het aansluiten opnieuw aan voordat u het deksel

van de controller sluit.

Er mag een trekontlasting met afdichting en een netsnoer met een lengte van max. 3 meter (10 ft)

met 18-gauge geleiders (inclusief een veiligheidsaarddraad) worden gebruikt om aan de

omgevingsclassificatie NEMA 4X/IP66 te voldoen.

Controllers kunnen worden besteld met voorgemonteerde AC-netsnoeren. Er kunnen ook extra

netsnoeren worden besteld.

De DC-voedingsbron die de DC-controller met 24 VDC voedt, moet de spanning tussen de

voorgeschreven spanningsgrenzen van 24 VDC-15% +20% houden. De DC-voedingsbron moet

tevens voldoende bescherming bieden tegen spanningspieken en spanningsverschillen.

Bedradingsprocedure

Volg de hieronder afgebeelde stappen en raadpleeg Tabel 1 of Tabel 2 voor het aansluiten van de

voedingsdraden op de controller. Steek elke draad zo ver in de juiste aansluitklem dat de isolatie zich

tegen de connector bevindt en er geen draadgedeelte blootligt. Na het aanbrengen voorzichtig

aandrukken, zodat er een goede aansluiting is. Sluit ongebruikte openingen in de controllerbox af

met afdichtpluggen voor de doorvoeropeningen.

Tabel 1 Informatie over de AC-voedingsbedrading (uitsluitend modellen met AC-voeding)

Klem Beschrijving Kleur—Noord-Amerika Kleur—EU

1 Warm (L1) Zwart Bruin

2 Nul (N) Wit Blauw

Aardingsstrip van de veiligheidsaarde (PE) Groen Groen met gele streep

170 Nederlands

Tabel 2 Informatie over de DC-voedingsbedrading (uitsluitend modellen met DC-voeding)

Klem Beschrijving Kleur—Noord-Amerika Kleur—EU

1 +24 V DC Rood Rood

2 24 V DC retour Zwart Zwart

Aardingsstrip van de veiligheidsaarde (PE) Groen Groen met gele streep

Nederlands 171

Alarmen en relais

De controller is uitgerust met vier potentiaalvrije enkelpolige relais met een maximale ohmse

belasting van 100-250 VAC, 50/60 Hz, 5 A. De contacten hebben een maximale ohmse belasting

van 250 VAC, 5 A bij de met wisselstroom gevoede controller en een maximale ohmse belasting van

24 VDC, 5 A bij de met gelijkspanning gevoede controller. De relais zijn niet berekend op inductieve

belastingen.

Bedradingsrelais

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Koppel altijd de voeding van het instrument los bij het maken van

elektrische aansluitingen.

W A A R S C H U W I N G

Potentieel brandgevaar. De relaiscontacten kunnen worden belast met een nominale stroom van 5 A

en zijn niet afgezekerd. Op de relais aangesloten externe belastingen moeten zijn voorzien van

stroombegrenzers die de stroom tot < 5 A beperken.

W A A R S C H U W I N G

Potentieel brandgevaar. Schakel de gemeenschappelijke relaisaansluitingen of de jumperdraad van de

netvoedingsaansluiting binnen in het instrument niet in serie.

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Om de NEMA/IP-classificatie van de behuizing te behouden, mogen er

voor het leggen van kabels in het instrument uitsluitend doorvoertules en kabelwartels worden gebruikt

die ten minste voldoen aan NEMA 4X/IP66.

AC-gevoede (100—250 V) controllers

172

Nederlands

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Controllers met AC-voeding (115 V - 230 V) zijn ontworpen voor

relaisaansluitingen op AC-netvoedingen (d.w.z. spanning hoger dan 16 V-RMS, 22,6 V-PIEK of

35 VDC).

Het bedradingscompartiment is niet berekend op spanningsaansluitingen van meer dan 250 VAC.

24 V DC-gevoede controllers

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Controllers met 24 V zijn ontworpen voor relaisaansluitingen op

laagspanningscircuits (d.w.z. spanning lager dan 16 V-RMS, 22,6 V-PIEK of 35 VDC).

De relais van de 24 V DC-controllers zijn ontworpen voor aansluiting op laagspanningscircuits (d.w.z.

spanning lager dan 30 V-RMS, 42,2 V-PIEK of 60 V DC). Het bedradingscompartiment is niet

berekend op spanningsaansluitingen boven deze niveaus.

De relaisconnector is geschikt voor 18-12 AWG-draad (afhankelijk van de belastingstoepassing).

Draadmaten van minder dan 18 AWG worden niet aanbevolen.

De normaal open (NO, maakcontact) en gemeenschappelijke (COM) relaiscontacten spreken aan als

er een alarm- of andere conditie actief is. De normaal gesloten (NC, verbreekcontact) en

gemeenschappelijke (COM) relaiscontacten spreken aan als een alarm- of andere conditie inactief is

(tenzij de Fail-Safe-functie op Ja is ingesteld) of wanneer de voeding van de controller wordt

uitgeschakeld.

Voor de meeste relaisaansluitingen worden NO- en COM-klemmen of NC- en COM-klemmen

gebruikt. De genummerde installatiestappen geven de aansluiting op de NO- en COM-klemmen

weer.

Nederlands 173

Analoge uitgangsaansluitingen

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Koppel altijd de voeding van het instrument los bij het maken van

elektrische aansluitingen.

W A A R S C H U W I N G

Mogelijk electrocutiegevaar. Om de NEMA/IP-classificatie van de behuizing te behouden, mogen er

voor het leggen van kabels in het instrument uitsluitend doorvoertules en kabelwartels worden gebruikt

die ten minste voldoen aan NEMA 4X/IP66.

Er zijn twee geïsoleerde analoge uitgangen (1 en 2) aanwezig (Afbeelding 5). Dergelijke uitgangen

worden meestal gebruikt voor analoge signalering of voor het bedienen van externe apparaten..

Sluit de bedrading aan op de controller zoals weergegeven in Afbeelding 5 en Tabel 3.

Opmerking: Afbeelding 5 toont de achterzijde van het controllerdeksel en niet de binnenzijde van het

compartiment van de hoofdcontroller.

Tabel 3 Uitgangsaansluitingen

Recorderbedrading Positie op de printplaat

Uitgang 2– 4

Uitgang 2+ 3

Uitgang 1– 2

Uitgang 1+ 1

1. Open het deksel van de controller.

2. Leid de bedrading door de trekontlasting.

3. Pas de draad indien nodig aan en zet de trekontlasting vast.

174

Nederlands

Оглавление