Hach-Lange POLYMETRON 9523 Basic User Manual: Gebruikersinterface en navigatie
Gebruikersinterface en navigatie: Hach-Lange POLYMETRON 9523 Basic User Manual

4. Stel de monsterstroom in hop de gewenste snelheid (tussen 5 en 20 L/u).
5. Laat zo'n 10 liter monster door de hars lopen om het grondig te spoelen en bereid de analysator
voor op metingen.
Gebruikersinterface en navigatie
Gebruikersinterface
Het toetsenpaneel heeft vier menutoetsen en vier cursortoetsen, zoals afgebeeld in Afbeelding 6.
Afbeelding 6 Aanzicht van toetsenpaneel en frontpaneel
1 Display 5 TERUG-toets. Keert een niveau terug in de
menustructuur.
2 Kapje over de sleuf voor de Secure Digital-
6 MENU-toets. Gaat van andere schermen en
geheugenkaart
submenu's naar het instellingenmenu.
3 HOME-toets. Gaat van andere schermen en
7 Cursortoetsen. Voor het navigeren door de menu's,
submenu's naar het hoofdmeetscherm.
het wijzigen van instellingen en het verhogen of
verlagen van cijfers.
4 ENTER-toets. Accepteert ingangswaarden, updates
of weergegeven menuopties.
Ingangen en uitgangen worden met behulp van het toetsenpaneel en displayscherm op het
frontpaneel ingesteld en geconfigureerd. Deze gebruikersinterface wordt gebruikt om in- en
uitgangen in te stellen en te configureren, om logboekinformatie te creëren en waarden te berekenen
en om sensoren te kalibreren. De SD-interface kan worden gebruikt om logboekbestanden op te
slaan en software te updaten.
Bediening
Configuratie conductiviteitscontactsensor.
Gebruik menu CONFIGURE (configureren) om identificerende informatie voor de sensor in te voeren
en opties voor het omgaan met gegevens en opslag te wijzigen.
176
Nederlands

1. Druk op toets menu en selecteer SENSOR SETUP>[Select Sensor]>CONFIGURE (instellingen
sensor / selecteer sensor / configureren).
2. Selecteer een optie en druk op enter. Houd de pijltoetsen omhoog of omlaag ingedrukt om
cijfers, tekens of interpunctie in te voeren. Druk op de pijltoets naar rechts om naar de volgende
ruimte te gaan.
Optie Beschrijving
EDIT NAME (naam
Wijzigt de naam die overeenkomt met de sensor bovenin het meetscherm.
bewerken)
De naam is beperkt tot 16 karakters en mag bestaan uit een willekeurige
combinatie van letter, cijfers, spaties en interpunctie. De eerste 12 tekens
worden op de controller weergegeven.
SENSOR S/N (serienummer
Hiermee kan de gebruiker het serienummer van de sensor invoeren, beperkt
sensor)
tot 16 tekens in elke combinatie van letters, nummers, spaties of interpunctie.
SELECT MEASURE (meting
Wijzigt de gemeten parameter naar CONDUCTIVITY (conductiviteit,
selecteren)
standaard), TDS (totaal aantal opgeloste vaste stoffen, of total dissolved
solids), SALINITY (zoutgehalte) of RESISTIVITY (soortelijke weerstand). Alle
andere geconfigureerde instellingen worden gereset naar de
standaardwaarden.
Opmerking: Als SALINITY (zoutgehalte) geselecteerd is, wordt de
meeteenheid gedefinieerd als ppt (deeltjes per duizend/parts per thousand)
en kan deze niet gewijzigd worden.
DISPLAY FORMAT
Wijzigt het aantal decimale plaatsen dat in het metingenscherm getoond
(weergave)
wordt. In stand automatisch wijzigt het aantal decimale plaatsen automatisch
met de wijzigingen in de gemeten waarde.
MEAS UNITS
Wijzigt de eenheid voor de gekozen meting — selecteer een eenheid uit de
(meeteenheden)
lijst met beschikbare eenheden.
TEMP UNITS
Stelt de temperatuureenheid in op °C (standaard) of °F.
(temperatuureenheden)
T-COMPENSATION (T-
Voegt een temperatuurafhankelijke correctie toe aan de gemeten waarde:
compensatie)
• NONE (geen) —geen temperatuurcompensatie nodig
• USP (usp) —stel het alarmniveau in op de standaard definitietabel USP
• ULTRA PURE WATER (ultrazuiver water)—niet beschikbaar voor TDS.
Stel het type compensatie in volgens de kenmerken van het monster—
selecteer NaCl , HCl, AMMONIA (ammoniak) of ULTRA PURE WATER
(ultrazuiver water)
• USER (gebruiker) —selecteer BUILT IN LINEAR (ingebouwd lineair),
LINEAR (lineair) of TEMP TABLE (temperatuurtabel):
• BUILT IN LINEAR (ingebouwd lineair)—gebruik de voorgedefinieerde
lineaire tabel (hellingsgraad gedefinieerd als 2,0%/°C,
referentietemperatuur is 25 °C)
• LINEAR (lineair) —stel de parameters voor hellingsgraad en
referentietemperatuur in als deze afwijken van de ingebouwde
parameters
• TEMPERATUURTABEL—Stel de temperatuur en de punten voor de
vermenigvuldigingsfactor in (raadpleeg de documentatie van de
geleidbaarheidsmodule)
• NATURAL WATER (natuurlijk water) —niet beschikbaar voor TDS
CONFIG TDS (TDS
TDS only (alleen TDS)—wijzigt de factor die gebruikt wordt voor het
configureren)
converteren van conductiviteit naar TDS: NaCl (0,49 ppm/µS) of CUSTOM
(aangepast, voer een factor tussen 0,01 en 99,99 ppm/µS in).
CABLE PARAM
Stelt de parameters in van de sensorkabel in om de meetnauwkeurigheid te
(kabelparameters)
verbeteren wanneer de kabel langer of korter gemaakt wordt dan de
standaard lengte van 5 meter. Voer de lengte van de kabel, weerstand en
capacitantie in.
Nederlands 177

Optie Beschrijving
TEMP ELEMENT
Stelt het temperatuurelement in op PT100 of PT1000 voor automatische
(temperatuurelement)
temperatuurcompensatie. Als er geen element wordt gebruikt, kan het type
ingesteld worden op MANUAL (handmatig) en kan een waarde voor
temperatuurcompensatie ingevoerd worden.
FILTER Stelt een tijdconstante in ter verhoging van de signaalstabiliteit. De
tijdconstante berekent de gemiddelde waarde gedurende een opgegeven tijd
—0 (geen effect) tot 60 seconden (gemiddelde van signaalwaarde voor
60 seconden). De filter verlengt de benodigde tijd voor het sensorsignaal om
te reageren op de werkelijke procesveranderingen.
LOG SETUP (instellingen
Dit stelt het tijdsinterval voor gegevensopslag in het gegevenslog in—5,
log)
30 seconden, 1, 2, 5, 10, 15 (standaard), 30, 60 minuten.
RESET DEFAULTS
Stelt het configuratiemenu in op de standaardinstellingen. Alle
(standaardinstellingen
sensorinformatie gaat verloren.
resetten)
Optie Hars
Gebruik optie RESIN (hars) om de parameters die verband houden met de harscartridge te bekijken
en te wijzigen. Deze parameters moeten gedefinieerd zijn voordat de analysator voor de eerste keer
gebruikt wordt.
1. Druk op toets menu en selecteer TEST/MAINT>RESIN (testen/onderhoud > hars).
2. Selecteer optie TRACK (volgen) en druk op enter om de status van de hars te bewaken.
Optie Beschrijving
YES (ja) De status van de hars bewaken. Wanneer de levensduur van de hars minder dan 10 dagen
bedraagt, wordt een waarschuwingsbericht geactiveerd. Wanneer de verwachte levensduur van
de hars 0 dagen bereikt, wordt een systeemfout geactiveerd.
NO (nee) De hars wordt niet bewaakt.
3. Selecteer optie STATUS en druk op enter om de huidige status van de hars te bekijken. De
datum waarop de hars voor het laatst vervangen is en de huidige verwachte levensduur worden
weergegeven. Druk op back (terug) om terug te keren naar het menu of op enter om de
parameters te resetten.
4. Selecteer PARAMETERS en druk op enter om de harsparameters te resetten. Op basis van de
ingevoerde waarden wordt de levensverwachting van de hars opnieuw berekend.
Optie Beschrijving
CAPACITY (capaciteit) Gebruik de pijltoetsen om de uitwisselcapaciteit van de hars in te voeren
(0,5 tot 5,0 mol/liter).
VOLUME Gebruik de pijltoetsen om het volume van de hars in te voeren (0,5 tot
20 liter/uur).
FLOW (stroming) Gebruik de pijltoetsen om de snelheid van de monsterstroom door de
cartridge in te voeren (2 tot 20 liter/uur).
CONCENTRATION
Gebruik de pijltoetsen om de concentratie van de hars in te voeren (0 tot
(concentratie)
20 ppm).
Kalibratie
Informatie over sensorkalibratie
De sensorkarakteristieken worden na verloop van tijd minder, waardoor ook de sensorwerking
minder nauwkeurig wordt. Regelmatige kalibratie van de sensor is nodig om de precieze werking
ervan zeker te stellen. Hoe vaak de kalibratie moet plaatsvinden hangt af van de toepassing en kan
het best op basis van ervaring worden bepaald.
178
Nederlands

Gebruik lucht (nulkalibratie) en het procesmonster om de kalibratiecurve te definiëren. Wanneer het
procesmonster wordt gebruikt, moet de referentiewaarde worden bepaald met een tweede verificatie-
instrument.
Celconstante
Zorg er voor het uitvoeren van een kalibratie voor dat de sensorcelparameters juist zijn.
1. Druk op toets menu en selecteer SENSOR SETUP>[Select Sensor]>CALIBRATE
(sensorinstellingen / selecteer sensor / kalibreren).
2. Als de toegangscode is ingeschakeld in menu security (beveiliging) voor de controller, voer dan
de toegangscode in.
3. Selecteer CELL CONSTANT (celconstante) en druk op enter.
4. Conductiviteitscontactsensoren: selecteer het K-bereik van de cel voor de sensor (0,01, 0,1 of
1,0) en voer daarna de daadwerkelijke K-waarde in zoals aangegeven op het label dat aan de
sensor bevestigd is.
Inductieve conductiviteitssensoren: voer de daadwerkelijke K-waarde in zoals aangegeven op
het label dat aan de sensor bevestigd is.
Temperatuurkalibratie
Het wordt aanbevolen de temperatuursensor eenmaal per jaar te kalibreren. Kalibreer de
temperatuursensor voordat de meetsensor gekalibreerd wordt.
1. Meet de temperatuur van het water met een nauwkeurige thermometer of onafhankelijk
instrument.
2. Druk op toets menu en selecteer SENSOR SETUP>CALIBRATE (sensorinstellingen /
kalibreren).
3. Als de toegangscode is ingeschakeld in menu security (beveiliging) voor de controller, voer dan
de toegangscode in.
4. Selecteer 1 PT TEMP CAL (1-punts temperatuurkalibratie) en druk op enter.
5. De bruto temperatuurwaarde wordt weergegeven. Druk op enter.
6. Voer de juiste waarde in indien deze afwijkt van hetgeen wordt weergegeven en druk op enter.
7. Druk op enter om de kalibratie te bevestigen. De temperatuuroffset wordt weergegeven.
Procedure nulkalibratie
Gebruik nulkalibratie om het unieke nulpunt van de sensor te bepalen.
1. Verwijder de sensor uit het proces. Gebruik een schone doek om de sensor droog te vegen.
2. Druk op toets menu en selecteer SENSOR SETUP>[Select Sensor]>CALIBRATE
(sensorinstellingen / selecteer sensor / kalibreren).
3. Als de toegangscode is ingeschakeld in menu security (beveiliging) voor de controller, voer dan
de toegangscode in.
4. Selecteer ZERO CAL (nulkalibratie) en druk op enter.
5. Selecteer de optie voor het uitgangssignaal tijdens de kalibratie:
Optie Beschrijving
ACTIVE (actief) Het instrument verstuurt de huidige, tijdens de kalibratieprocedure gemeten uitvoerwaarde.
HOLD De uitgangswaarde van de sensor is tijdens de kalibratieprocedure tegen de huidige
gemeten waarde vastgehouden.
TRANSFER Tijdens kalibratie wordt een voorgedefinieerde uitgangswaarde verstuurd. Raadpleeg de
handleiding van de controller om de voorgedefinieerde waarde te wijzigen.
6. Houd de droge sensor in de lucht en druk op enter.
7. Bekijk het kalibratieresultaat:
Nederlands
179

• PASS (geslaagd)—de sensor is gekalibreerd en klaar om monsters te meten.
• FAIL (mislukt)—de kalibratie ligt buiten de toegestane limieten. Herhaal de kalibratie met
schone sensor. Raadpleeg Foutenopsporing op pagina 183 voor meer informatie.
8. Druk op enter als de kalibratie is geslaagd om verder te gaan.
9. Wanneer optie Operator ID in menu CAL OPTIONS op Ja is ingesteld, dient u een gebruikers-ID
in te voeren. Raadpleeg Kalibratieopties wijzigen op pagina 181.
10. Selecteer in scherm NEW SENSOR (nieuwe sensor) of de sensor al dan niet nieuw is:
Optie Beschrijving
JA De sensor is niet eerder met deze controller gekalibreerd. De bedrijfsdagen en eerder gemaakte
kalibratiegrafieken voor de sensor worden gereset.
NEE De sensor is eerder met deze controller gekalibreerd.
11. Herhaal het proces voor de sensor en druk op enter. Het uitgangssignaal keert terug naar de
actieve toestand en meetwaarde van het monster wordt weergegeven op het meetscherm.
Opmerking: Als de uitgangsmodus op hold of verzenden is ingesteld, selecteer dan de vertragingstijd wanneer
de uitgangssignalen weer actief worden.
Kalibratie met het procesmonster
De sensor kan in het procesmonster aanwezig blijven.
1. Druk op toets menu en selecteer SENSOR SETUP>CALIBRATE (sensorinstellingen /
kalibreren).
2. Als de toegangscode is ingeschakeld in menu security (beveiliging) voor de controller, voer dan
de toegangscode in.
3. Selecteer SAMPLE CAL (monster kalibreren) en druk op enter.
4. Selecteer de optie voor het uitgangssignaal tijdens de kalibratie:
Optie Beschrijving
ACTIEF Het instrument verzendt de actuele uitgangsmeetwaarde tijdens de kalibratieprocedure.
HOLD De sensoruitgangswaarde wordt tijdens de kalibratieprocedure vastgezet op de daadwerkelijk
gemeten waarde.
TRANSFER Tijdens de kalibratie wordt een vooraf ingestelde uitgangswaarde verzonden. Raadpleeg de
gebruikershandleiding van de controller om de vooraf ingestelde waarde te wijzigen.
5. Druk, met de sensor in het procesmonster, op enter. De gemeten waarde wordt weergegeven.
Wacht tot de waarde is gestabiliseerd en druk op enter.
6. Meet met een gecertificeerd tweede verificatie-instrument de concentratiewaarde van het
monster. Om onzuiverheden in het monster te voorkomen, wordt de meting gedaan voordat het
monster in de doorstroomkamer wordt geleid. Gebruik de pijltoetsen om deze waarde in te
voeren indien verschillend van de weergegeven waarde en druk op enter.
7. Bekijk het kalibratieresultaat:
• PASS (geslaagd) - de sensor is gekalibreerd en de kalibratiefactor wordt weergegeven.
• FAIL (mislukt) - de kalibratie ligt buiten de toegestane limieten. Herhaal de kalibratie met
schone sensor. Raadpleeg Foutenopsporing op pagina 183 voor meer informatie.
8. Druk op enter als de kalibratie is geslaagd om verder te gaan.
9. Wanneer optie operator ID in menu CAL OPTIONS (kalibratieopties) op Yes (ja) is ingesteld,
moet een gebruikers-ID ingevoerd worden. Raadpleeg Kalibratieopties wijzigen op pagina 181.
180
Nederlands
Оглавление
- English..............................................................................................................................3 Deutsch..........................................................................................................................25 Italiano............................................................................................................................48 Français.........................................................................................................................71 Español..........................................................................................................................94 Português....................................................................................................................118 中文...............................................................................................................................141 Nederlands.................................................................................................................160 Polski............................................................................................................................184 Suomi............................................................................................................................207 Русский........................................................................................................................229
- Table of contents
- General information
- Installation
- Analyzer startup
- Operation
- Maintenance
- Troubleshooting
- Inhaltsverzeichnis
- Allgemeine Informationen
- Installation
- Analysator starten
- Benutzeroberfläche und Navigation
- Wartung
- Fehlerbehebung
- Sommario
- Informazioni generali
- Installazione
- Avvio dell'analizzatore
- Interfaccia utente e navigazione
- Manutenzione
- Risoluzione dei problemi
- Table des matières
- Généralités
- Installation
- Mise en marche de l'analyseur
- Interface utilisateur et navigation
- Entretien
- Recherche de panne
- Tabla de contenidos
- Información general
- Instalación
- Inicio del analizador
- Interfaz del usuario y navegación
- Mantenimiento
- Solución de problemas
- Índice
- Informação geral
- Instalação
- Arranque do analisador
- Interface do utilizador e navegação
- Manutenção
- Resolução de problemas
- 目录
- 基本信息
- 安装
- 启动分析仪
- 操作
- 维护
- 故障排除
- Inhoudsopgave
- Algemene informatie
- Installatie
- Opstarten analysator
- Gebruikersinterface en navigatie
- Onderhoud
- Foutenopsporing
- Spis treści
- Instalacja
- Uruchamianie analizatora
- Interfejs użytkownika i nawigacja
- Konserwacja
- Rozwiązywanie problemów
- Sisällysluettelo
- Yleistietoa
- Asentaminen
- Analysaattorin käynnistäminen
- Käyttö
- Huolto
- Vianmääritys
- Содержание
- Общая информация
- Монтаж
- Запуск анализатора
- Пользовательский интерфейс и навигация
- Техническое обслуживание
- Выявление и устранение неисправностей