HEIDENHAIN PWM 20: 4 Installatie

4 Installatie: HEIDENHAIN PWM 20

background image

Bedieningshandleiding

nl

PWM 20

90

3.2 Plaats van opstelling AANWIJZING

Schade aan het apparaat door een verkeerde opstelling.

Stel het apparaat uitsluitend horizontaal op.

Kies de plaats van opstelling zodanig dat het apparaat

tijdens gebruik goed toegankelijk is.

Zorg voor een goede ventilatie.

Houd de ventilatieopeningen aan de achterkant en

aan de zijkanten vrij en belemmer de luchtstroom

niet.

Het apparaat is voorzien van een

temperatuurgeregelde ventilator, die

bij overschrijding van een maximale

binnentemperatuur wordt ingeschakeld en na

afkoeling weer wordt uitgeschakeld.

Voor informatie over de inbouwpositie zie "C" op de

uitklapbare omslag.

4 Installatie

AANWIJZING

Gevaar voor beschadiging van inwendige componenten!

Stekkers uitsluitend bij uitgeschakeld apparaat

aansluiten of loskoppelen.

Afhankelijk van de uitrustingsvariant kan de

installatie afwijken van de procedure zoals

beschreven in dit hoofdstuk. Indien de bij

het product meegeleverde bijlage informatie

betreffende de installatie bevat, dan heeft de

hierin beschreven informatie prioriteit boven de

informatie in dit hoofdstuk.

In de afbeeldingen van penbezettingen zijn

doorgaans de bezettingen van de aansluitingen

op het apparaat en niet van de connectoren

weergegeven.

De verantwoordelijkheid voor elk systeem waarin

het apparaat wordt gebruikt, ligt bij de gebruiker

van dit systeem.

background image

PWM 20

Bedieningshandleiding

nl

91

4.1 Apparatenoverzicht

Voorzijde apparaat

Zie "A" op de uitklapbare omslag.

X1

15-polige sub-D-ingang voor HEIDENHAIN-

meetsystemen met

11 µA

SS

/25 µA

SS

-interface 1 V

TT

/3 V

TT

-interface  (1 V

TT

/Z1, 1 V

TT

 met grensposities, 1 V

TT

 met cyclus/gegevens) EnDat/SSI-interface TTL-interface met grensposities HTL-interface (aansluiting uitsluitend voor servicedoeleinden via een externe adapter, bijv. ID 1093210-01) Fanuc-, Mitsubishi-, Yaskawa- of Panaso- nic-interface

X2

15-polige sub-D-uitgang voor de doorlusmo-

dus van de meetsysteemsignalen uit X1

X3

6-polige mini-DIN-aansluiting voor externe

functies

X4

8+2-polige RJ-45-aansluiting voor meetsys-

temen met DRIVE-CLiQ-interface

L1

Statusweergave voor bedrijfsgereedheid

Uit: niet bedrijfsgereed

Aan (groen): bedrijfsgereed

L2

Statusweergave voor voeding van het meet-

systeem

Uit: voeding van het meetsysteem uitge-

schakeld

Aan (groen): voeding van het meetsysteem

ingeschakeld

Achterzijde apparaat

Zie "B" op de uitklapbare omslag.

1

Netschakelaar

X5

USB-bus, type B (USB 2.0), data-interface

X6

Netaansluiting

4.2 Netspanning aansluiten WAARSCHUWING

Gevaar voor elektrische schokken!

Niet goed geaarde apparaten kunnen leiden tot ernstig

letsel of de dood als gevolg van elektrische schokken.

Altijd 3-polige netkabel gebruiken.

Zorgen voor een correcte aansluiting van de

aardleiding op de gebouwinstallatie.

WAARSCHUWING

Brandgevaar door gebruik van netkabels die niet voldoen

aan de minimale eisen!

Altijd netkabels gebruiken die ten minste voldoen aan

de vermelde minimale eisen.

Netaansluiting X6 met de meegeleverde netkabel op de

netstekkerdoos met aardleiding aansluiten.

Informatie over de plaats van de netaansluiting aan

achterzijde van het apparaat zie "Achterzijde apparaat",

Bladzijde 91.

Signaalbezetting van de netaansluiting X6 zie "R".

4.3 Elektrostatische ontlading AANWIJZING

Dit product bevat componenten

die door elektrostatische ontlading

(ESD) onherstelbaar beschadigd

kunnen raken.

Veiligheidsvoorzieningen voor de

omgang met ESD-gevoelige compo-

nenten altijd in acht nemen.

Aansluitpennen nooit zonder een go-

ede aarding aanraken.

background image

Bedieningshandleiding

nl

PWM 20

92

4.4 Meetsystemen aansluiten AANWIJZING

Gevaar van beschadiging van het apparaat

en het meetsysteem door een verkeerd

voedingsspanningsbereik en verkeerde bedrading!

Voedingsspanningsbereik van het aangesloten

meetsysteem in acht nemen.

Controleren of de verbindingskabel tussen het

meetsysteem en het apparaat correct is bedraad.

Verbindingskabel tussen meetsysteem en apparaat

alleen in spanningsloze toestand aanbrengen of

verwijderen.

De gebruiker draagt alle risico's voor aansluiting en

gebruik van het apparaat met meetsystemen die niet

van HEIDENHAIN afkomstig zijn.

Aansluitmogelijkheden

Meetsystemen met een 15-polige interface worden aan

de voorzijde van het apparaat op meetsysteem-ingang

X1 aangesloten

In de inlusmodus wordt voor meetsystemen met een 15-

polige interface meetsysteem-uitgang X2 gebruikt

Meetsystemen met 8+2-polige DRIVE-CLiQ-interfaces

worden op meetsysteem-ingang X4 aan de voorzijde van

het apparaat aangesloten

Informatie over de plaats van de aansluitingen zie

"Apparatenoverzicht", Bladzijde 91.

De aansluitbezettingen van de verbindingskabels vindt u in

de catalogus.

Informatie over de signaalbezetting van de

pennen in de bijlage:

kabelscherm met behuizing verbonden; 

U

P

 = voedingsspanning

Sensor: de sensorkabels zijn, afhankelijk van

de instellingen in de ATS-software, intern

met de desbetreffende voedingsspanning

verbonden (document "Bedieningshandleiding

ATS-software", zie "Aanwijzingen voor het lezen

van de documentatie", Bladzijde 86).

EnDat/SSI-interface Pen Functie

1, 3, 7, 9, 11, 14

Incrementele signalen (alleen bij beste-

laanduiding EnDat 01 en EnDat 02)

2, 4, 10, 12

Voedingsspanning

5, 8, 13, 15

Positiewaarden

6

Binnenscherm

Signaalbezetting EnDat/SSI zie "F".

Fanuc-, Mitsubishi-, Yaskawa-, Panasonic-interface Pen Functie

1, 3, 7, 9, 11, 14

Incrementele signalen (indien aanwe-

zig, uitsluitend voor vergelijking; tijdens

normaal bedrijf niet bezetten)

2, 4, 10, 12

Voedingsspanning

5, 8, 13, 15

Positiewaarden

6

/

Signaalbezetting Fanuc zie "G".

Signaalbezetting Mitsubishi zie "H".

Signaalbezetting Yaskawa en Panasonic zie "I".

Fanuc en Mitsubishi: pennen 5 en 13 niet

bezetten bij "one pair transmission".

1 V

tt

-/3 V

tt

-interface Pen Functie

1, 3, 7, 9, 11, 14

Incrementele signalen

2, 4, 10, 12

Voedingsspanning

5, 6, 8, 13, 15

Andere apparaatafhankelijke signalen 

(omschakeling in het apparaat)

Signaalbezetting 1 V

tt

 met grensposities zie "J".

Signaalbezetting 1 V

tt

/Z1 zie "K".

Signaalbezetting 1 V

tt

 met cyclus/gegevens zie "L".

11 µA

tt

/25 µA

tt

-interface Pen Functie

1, 3, 7, 9, 11, 14

Incrementele signalen

2, 4

Voedingsspanning

5, 6, 8, 10, 12, 13, 15

/

6

Binnenscherm

Signaalbezetting 11 µA

pp

 (25 µA

pp

) zie "M".

background image

PWM 20

Bedieningshandleiding

nl

93

TTL-interface (met grensposities) en HTL-interface Pen Functie

1, 3, 7, 9, 11, 14

Incrementele signalen

2, 4, 10, 12

Voedingsspanning

3, 13, 15

/

6, 8

Limit-signalen

(indien door het meetsysteem onder-

steund)

Signaalbezetting TTL en HTL zie "N".

Aansluiting X4

Signaalbezetting DRIVE-CLiQ zie "P".

Meetsysteem-uitgang X2

Meetsysteem-ingang X1 van het apparaat is galvanisch

verbonden met meetsysteem-uitgang X2. De signalen resp.

de penbezetting van de uitgang komen overeen met de

desbetreffende signalen van de ingang (opgepakt of actief

gereproduceerd).

De signalen worden niet galvanisch gescheiden. De

voedings- en sensorkabels worden afhankelijk van de

desbetreffende modus via de ATS-software vanaf V2.6

geschakeld en kunnen verbonden zijn (zie onderstaande

voorbeelden). Het is altijd gewaarborgd dat de door het

apparaat gegeneerde voedingsspanning niet aanligt bij X2.

Voorbeeld 1 

 Apparaat in doorlusmodus (meetsysteem

wordt gevoed door volgelektronica) of ATS-software niet

gestart:

Voorbeeld 2 

 Apparaat voedt het meetsysteem via X1:

Kabels van de meetsystemen aansluiten

Meetsystemen permanent op de desbetreffende

aansluitingen aansluiten.

Bij stekkers met schroeven: schroeven niet te vast

aandraaien.

Stekkerverbindingen (meetsysteem-ingang X4) niet

mechanisch belasten.

Niet-gebruikte pennen of litzedraden mogen niet

bezet worden.

4.4.1 Aardingsomstandigheden tijdens inlusmodus

Het apparaat heeft een interne geschakelde

voedingseenheid met een groot bereik. Daarom is de

aansluiting van de aardleiding PE (veiligheidsaarde)

noodzakelijk die ook met de behuizing van het apparaat

verbonden is. Wordt het apparaat in de regelkring van een

machine met NC-besturing geïntegreerd, dan stelt het aan

extra aardingspunt voor dat het schermconcept verandert.

Dat kan als volgt worden voorkomen:

apparaat via een scheidingstransformator voeden, of

apparaat voeden met DC 24 V

Voor het analyseren van meetgegevens van het apparaat

wordt een pc op de USB-interface van het apparaat

aangesloten. Meestal zijn in de pc de 0 V en de aansluiting

van de aardleiding onderling verbonden (ook USB). Wordt

het apparaat geïntegreerd in de regelkring van een machine

met NC-besturing, dan veranderen ook de omstandigheden

op de 0-V-verbinding.

Dat kan als volgt worden voorkomen:

als pc een laptop met batterijvoeding gebruiken, of

laptop met een voedingseenheid zonder aansluiting voor

aardleiding gebruiken

Оглавление