Ridgid NaviTrack II – страница 6

Инструкция к Ridgid NaviTrack II

background image

   

NaviTrack® II

15

Figuur 24: plaatsbepaling met grote waarschijnlijkheid

VOORZICHTIG:

  Kijk  uit  voor  signaalinterferentie  die  tot 

onnauwkeurige  aflezingen  kan  leiden.  Dieptemetingen 

moeten worden beschouwd als schattingen en 

de werkelijke 

diepte  moet  worden  nagegaan  door  de  leiding  fysisch 

bloot te leggen alvorens het graven te starten

.

Een plaatsbepalingszender gebruiken

Bij een actieve leidingopsporing werkt de NaviTrack® II samen 

met een actieve plaatsbepalingszender. Er zijn drie manieren 

om een plaatsbepalingszender aan te sluiten. 

Rechtstreekse aansluiting

De  beste  manier  om  een  zender  aan  te  sluiten  is  door  hem 

rechtstreeks aan te sluiten (metaal op metaal) op één uiteinde 

van  de  te  traceren  buis,  traceerdraad  of  kabel,  en  de  uitge-

zonden stroom rechtstreeks over de leiding te sturen.

Klemaansluiting

Wanneer  rechtstreekse  aansluiting  onmogelijk  is,  is  het  vaak 

wel mogelijk een inductieklem rondom de betreffende leiding 

te bevestigen, waardoor die inductief wordt bekrachtigd. Om 

op  doeltreffende  wijze  een  signaal  teweeg  te  brengen  met 

behulp van een inductieklem, moet de leiding van metaal zijn 

en  moeten  beide  uiteinden  van  de  leiding  geaard  zijn. 

(Signaal kan niet teweeg worden gebracht op een leiding in 

één  richting  tenzij  de  stroom  in  beide  richtingen  kan 

stromen.)

Inductieve verzending

De  zender  kan  worden  gebruikt  in  een  inductieve  modus 

zonder

  rechtstreekse  aansluiting.  Daarvoor  moet  de  zender 

vlak boven een gekend segment van de doelleiding worden 

geplaatst en moet de “inductiemodus” van de zender worden 

geactiveerd  waardoor  de  leiding  wordt  bekrachtigd  met  de 

geselecteerde frequentie.  

OPMERKING:

 Kijk in de handleiding bij de gebruikte zender 

om  na  te  gaan  of  hij  correct  is  aangesloten  en  geaard  en 

ingesteld op de correcte frequentie.

Elk  van  deze  methoden  biedt  voordelen,  afhankelijk  van  de 

situatie.  Rechtstreekse  aansluiting  is  gewoonlijk  het  meest 

betrouwbaar  aangezien  het  signaal  rechtstreeks  wordt 

toegepast  op  een  gekende  leiding;  er  zijn  echter  situaties 

waarin  inductie  de  enige  optie  is  of  betere  resultaten 

oplevert.

Passieve leidingtracering

In  passieve  modus  detecteert  de  NaviTrack® II  wisselstroom-

velden,  of  AC-velden,  gegenereerd  door  draden  die  reeds 

stroom  voeren,  zonder  dat  er  zender  op  moet  worden 

aangesloten. Ingegraven stroomleidingen genereren normaal 

geen  traceerbaar  signaal  tenzij  er  stroom  door  de  kabels 

vloeit.  Bijvoorbeeld  kabels  van  uitgeschakelde  straatlampen 

zijn  moeilijk  passief  te  traceren.  Ten  gevolge  van  koppeling 

(hetzij door inductie hetzij door elektrische capaciteit) kunnen 

allen  metalen  leidingen  in  een  gebied  passief  bekrachtigd 

zijn.  Om  die  reden  is  het  mogelijk  de  leidingen  passief  te 

lokaliseren  maar  kan  het  moeilijk  zijn  te  identificeren 

welke 

leiding nu precies wordt getraceerd door de plaatsbepaler.

WAARSCHUWING:

  Bij  passief  lokaliseren  of  wanneer  de 

signalen  uiterst  zwak  zijn,  zal  de  gemeten  diepte  meestal  te 

DIEP zijn en kan de werkelijke diepte VEEL geringer zijn.

1.  Selecteer  een  passieve  AC-traceringsfrequentie  met 

het passieve leidingtraceerpictogram.

Figuur 25: 60 Hz passieve traceringsfrequentie

2.  De NaviTrack® II heeft twee passieve AC-traceringsfreq

uentiewaarden.  Het  zijn  50 Hz  en  60 Hz.  Ze  worden 

geïdentificeerd  door  het  stroompictogram.  De  50 Hz 

en 60 Hz reageren op een harmonische van algemeen 

gebruikte  AC-frequenties.  Europese  installaties  zijn 

meestal 50 Hz.

Bij  passief  traceren  is  het  belangrijk  eraan  te  denken  dat T’s, 

bochten, andere geleiders in de buurt en metalen massa’s in 

de buurt een veld 

kunnen

 vervormen, waardoor de gegevens 

zeer  nauwkeurig  moeten  worden  onderzocht  om  het  tracé 

van de betreffende leiding te bepalen.

Passieve tracering is meestal de minst doeltreffende optie.

background image

  NaviTrack® II

16

Bedieningstips voor leidingtracering

  De NaviTrack® II kan vervormde velden snel identificeren. 

Als de leidingen niet gecentreerd zijn op de kaart en het 

nabijheidssignaal  of  de  signaalsterkte  maximaal  zijn, 

veroorzaakt  vervorming  een  complex  in  plaats  van  een 

cirkelvormige veld. Om de traceerkring te verbeteren:

a)  Probeer het eens met een lagere frequentie.

b)  Plaats  de  aardstaaf  verder  uit  de  buurt  van  de  te 

traceren leiding.

c)  Zorg ervoor dat de leiding niet verbonden is met een 

andere  leiding.  Maak  gemeenschappelijke  ver-

bindingen slechts los als dat veilig kan.

d)  Verplaats  de  zender  naar  een  ander  punt  op  de  

leiding  en  probeer  de  tracering  in  de  tegenover-

gestelde richting uit te voeren (van B naar A in plaats 

van van A naar B).

• 

Als de lijnen maar niet centraal op het scherm willen gaan 

staan  of  als  ze  onregelmatig  over  het  scherm  bewegen, 

kan dat betekenen dat de NaviTrack® II geen zuiver signaal 

ontvangt.  Het  is  in  deze  omstandigheden  ook  mogelijk 

dat  de  diepte  en  het  nabijheidssignaal  op  en  neer 

bewegen. 

a)  Controleer  de  zender  om  na  te  gaan  of  hij  correct 

werkt en naar behoren werd geaard. 

b)  Test de kring door de onderste antenne naar een van 

de draden van de zender te wijzen.

c)  Ga na of de NaviTrack® II en de zender met dezelfde 

frequentie werken.

d)  Probeer verschillende frequenties, beginnend bij de 

laagste,  tot  het  signaal  betrouwbaar  kan  worden 

ontvangen.

e)  Verplaats  de  aardaansluiting  voor  een  betere  kring. 

Zorg ervoor dat er voldoende contact is (aardingspin 

diep genoeg inslaan) vooral in droge bodems.

  Tijdens het traceren moet het signaal het sterkst zijn en de 

diepte  het  geringst  op  dezelfde  plaats  als  waar  de  lijnen 

centraal  over  het  scherm  lopen.  Als  dat  niet  het  geval  is, 

kan  dat  wijzen  op  een  bocht  in  de  leiding  of  op  de 

aanwezigheid van gekoppelde signalen.

  Hogere frequenties vloeien gemakkelijker uit maar kunnen 

nodig  zijn  om  over  stroomstoringen  in  traceerdraden  te 

springen of om over isolatiekoppelstukken heen te gaan. 

Als  de  leiding  niet  geaard  is  aan  het  verste  uiteinde,  zijn 

hoge  frequenties  misschien  de  enige  manier  om  de 

leiding zichtbaar te maken (zie figuur 37).

  Wanneer  u  de  zender  inductief  gebruikt,  dient  u  de 

lokalisering  op  een  afstand  van  ongeveer  10 m  te 

beginnen om een “directe koppeling” te voorkomen, ook 

wel luchtkoppeling of “luchtslot” genoemd. Dat doet zich 

voor wanneer de NaviTrack® II het signaal rechtstreeks van 

de zender oppikt en niet van de te traceren leiding. Om te 

testen  op  luchtkoppeling  richt  u  de  NaviTrack® II 

rechtstreeks op de zender; als de signaalsterkte toeneemt, 

is  de  zender  te  dicht  bij  de  ontvanger  om  accuraat  te 

traceren.

  Tijdens  het  traceren  werkt  de  kaartweergave  het  best 

onder de volgende voorwaarden:

1.  De leiding is waterpas

2.  De  NaviTrack® II-plaatsbepaler  bevindt  zich  boven 

het niveau van de leiding

3.  De  NaviTrack® II-antennemast  wordt  ongeveer 

verticaal gehouden.

Als die omstandigheden niet of niet allemaal kloppen, dient u 

scherp te letten op de maximale nabijheidssignaal- en signaal-

sterkte. 

In  het  algemeen  geldt  dat  wanneer  de  NaviTrack® II  wordt 

gebruikt  in  een  zone  boven  de  doelleiding  binnen  een 

aftastzone  van  ongeveer  twee  “diepten”  van  de  leiding,  de 

kaart bruikbaar en accuraat zal zijn. Houd daar rekening mee 

wanneer u de kaart gebruikt indien het doel of de leiding heel 

ondiep  zit.  Het  bruikbare  zoekgebied  op  de  kaart  kan  klein 

zijn als de leiding uiterst ondiep zit.

Dieptemetingen

De NaviTrack® II meet diepte door de sterkte van het signaal 

in  de  onderste  antenne  te  vergelijken  met  de  bovenste 

antenne. 

Diepte  wordt  correct  gemeten  in  een  onvervormd  veld 

wanneer de onderste antenne precies boven de signaalbron 

de grond raakt. 

1.  Om de diepte te meten zet u de plaatsbepaler op de 

grond, precies boven de sonde of de leiding.  

2.  De  diepte  wordt  weergegeven  in  de  linker-

benedenhoek.  Een  dieptemeting  kan  worden  gefor-

ceerd door op de selectietoets te drukken.

Clipping

Soms  zal  het  signaal  zo  sterk  zijn  dat  de  ontvanger  niet  in 

staat is het volledige signaal te verwerken, een toestand die 

wordt  aangeduid  met  de  term  “clipping”.  Wanneer  dat  het 

geval is, verschijnt het waarschuwingssymbool op het scherm. 

Dit betekent dat het signaal bijzonder sterk is. Als het clippen 

aanhoudt, kan dat worden verholpen door de sterkte van de 

stroom van de zender te verminderen.

OPMERKING:

 Wanneer u in de leidingtraceringsmodus op de 

selectietoets drukt wordt er een dieptemeting geforceerd en 

wordt de hoekindicator gedwongen gewijzigd in stroom. Als 

het  geluid  ingeschakeld  is,  zal  ook  de  audiotoon  opnieuw 

worden gecentreerd.

background image

   

NaviTrack® II

17

Menu’s en instellingen

Wanneer  de  Menu-toets  wordt  ingedrukt,  verschijnt  er  een 

reeks  keuzen  waarmee  iedere  operator  de  NaviTrack® II 

volgens zijn voorkeuren kan configureren.

Wijzigen van de diepte-eenheid    

De NaviTrack® II kan diepte in voet of in meter weergeven. Om 

van eenheid te veranderen, highlight u de optie Eenheden in 

het menu en drukt u op de selectietoets om om te schakelen 

tussen voet en meter.

Figuur 26: Eenheden selecteren (voet/meter)

Automatische achtergrondverlichting 

Een in de linkerbovenhoek van het toetsenbord ingebouwde 

detector  detecteert  geringe  lichtniveaus.  De  achtergrond-

verlichting kan ook geforceerd worden door die sensor af te 

dekken.

De  automatische  LCD-achtergrondverlichting  wordt  in  de  

fabriek zo ingesteld dat ze pas wordt ingeschakeld in vrij don-

kere omstandigheden. Dat is om de batterijen te sparen. Naar-

mate  de  batterijen  afgaan,  wordt  de  achtergrondverlichting 

zwakker.  Wanneer  de  batterijen  bijna  leeg  zijn,  werkt  de 

achtergrondverlichting zeer zwak om de batterijen te sparen.

Om de achtergrondverlichting zo in te stellen dat ze altijd uit 

is, selecteert u het gloeilamppictogram in het menu Tools en 

drukt u op de selectietoets om om te schakelen tussen Auto, 

altijd ON en altijd OFF. 

Figure 27 : Instellen van de achtergrondverlichtingsmodus  

(Aan/Uit/Auto)

LCD-contrast 

Wanneer dit wordt geselecteerd met de selectietoets kan het 

contrast worden geregeld. Gebruik de pijltjestoetsen omhoog 

en omlaag om het scherm lichter of donkerder te maken.

Figuur 28:  Contrastinstellingsoptie

Figuur 29:  Contrast vermeerderen/verminderen

background image

  NaviTrack® II

18

Schermelementenmenu 

Wanneer u het pictogram “twee schermpjes” selecteert, wordt 

het  Schermselectiemenu  weergegeven  voor  hetzij  de  tra-

ceermodus 

 hetzij de sondemodus 

. In dit menu kunt u 

schermelementen in- en uitschakelen. De NaviTrack® II wordt 

geleverd met bepaalde elementen uitgeschakeld ter wille van 

de eenvoud.  Om een element in of uit te schakelen, drukt u 

op pijltje omhoog of omlaag om het element te 

highlighten

Druk vervolgens op de 

selectietoets 

om het vakje ernaast 

aan 

of  af  te  vinken

.  Aangevinkte  schermelementen  worden  inge-

schakeld voor de geselecteerde modus.

Figuur 30: Schermelementen (sondemode)

Optionele functies

Geavanceerde  functies  van  de  NaviTrack® II  kunnen  worden 

ingeschakeld  met  behulp  van  de  Menu-toets  om  de  menu-

boomstructuur  op  te  roepen.  Selecteer  de  het  menu 

Schermelementen  (voor  schermelementen  –  beschreven  op 

pagina  18)  of  het  menu  Frequentieselectie  (om  andere 

frequenties te activeren – beschreven op pagina 8). 

Optionele functies

 zijn onder meer:

Figuur 31: circuit met waterpeilmarkering en aanwijzer

  • 

Waterpeilmarkering

Het waterpeilmarkering is een markering die in de buitenste 

ring  van  het  scherm  verschijnt.  Het  is  een  grafische 

voorstelling  van  de  hoogst  bereikte  signaalsterkte.  Ze  wordt 

“achtervolgd” door een massieve aanwijzer die de heersende 

signaalsterkte aangeeft. 

Als  de  signaalsterkteaanwijzer  hoger  gaat  dan  de  waterpeil-

markering,  gaat  de  waterpeilmarkering  eveneens  omhoog 

om het nieuwe hoogste niveau grafisch weer te geven. Hij is 

standaard  uitgeschakeld  maar  kan  worden  ingeschakeld  in 

het selectiemenu Schermelementen.

Figuur 32: “Geen signaal”-weergave

  • 

“Geen signaal”-pictogram 

Wanneer de NaviTrack® II geen bruikbaar signaal ontvangt op 

de  geselecteerde  frequentie  toont  hij  het  modusteken  met 

een streep erdoor, om aan te geven dat er geen signaal wordt 

gedetecteerd. Dat reduceert de verwarring die kan ontstaan 

bij  het  interpreteren  van  de  willekeurige  ruis  die  sommige 

plaatsbepalers weergeven bij gebrek aan een signaal.

Figuur 33: signaalsterkte gecentreerd

  • 

De optie Signaalsterkte centreren

Wanneer deze optie wordt ingeschakeld in het menuselectie-

scherm  wordt  het  getal  dat  de  signaalsterkte  voorstelt  ge-

dwongen weergegeven in het midden van het schermgebied 

telkens  wanneer  er  geen  nabijheidssignaal  beschikbaar  is

.  Dat 

kan  zich  voordoen  wanneer  het  signaal  zwak  is. Wanneer  er 

een  nabijheidssignaal  beschikbaar  wordt,  keert  het 

signaalsterktegetal  terug  naar  de  rechter  benedenhoek  van 

het  scherm  waar  het  zich  normaal  bevindt.  (Uitsluitend  in 

leidingtraceermodus.)

background image

   

NaviTrack® II

19

• 

Informatiescherm

Het  informatiescherm  verschijnt  onderaan  de  lijst  menu-

opties. Wanneer  de  selectieknop  wordt  ingedrukt,  verschijnt 

er  informatie  over  de  plaatsbepaler,  zoals  de  softwareversie, 

het serienummer van de ontvanger en de kalibreringsdatum.  

Wanneer  u  een  tweede  keer  op  de  selectietoets  drukt 

wordt  de  optie  “fabrieksinstellingen  herstellen”  weer-

gegeven.

  • 

Fabrieksinstellingen herstellen

Deze optie wordt ingeschakeld door het aangevinkte vakje te 

selecteren  (√).  Als  de  “X”-optie  wordt  gekozen,  worden  de 

heersende instellingen niet gewijzigd.

Figuur 34:  Standaardinstellingen hersteld  

(leidingtraceermodus)

Wanneer u op de Menu-toets drukt zonder een van beide vak-

jes te wijzigen, verlaat u de optie en blijft alles ongewijzigd.

  • 

Geluiddemping > 99’  

  

Deze  optie  zorgt  voor  het  automatisch  dempen  van  het 

geluid  wanneer  de  diepte  meer  dan  99 voet  bedraagt. 

Wanneer  ze  niet  wordt  aangevinkt,  zal  het  geluid  niet 

automatisch worden gedempt.

Menuboomstructuur

De  volgende  afbeelding  toont  structuur  en  de  verschillende 

opties van de NaviTrack® II-menu’s. Wanneer u de menutoets 

indrukt  in  het  actieve  scherm,  gaat  u  naar  de  top  van  de  

menuboomstructuur.  Overloop  de  opties  met  de  pijltjes-

toetsen.  Wanneer  u  op  de  selectietoets  drukt  wanneer  een 

optie werd gehighlight, wordt het betreffende submenu op-

geroepen.  Wanneer u de menutoets indrukt in een submenu 

gaat u een niveau naar boven. Vakjes wordt aan- of afgevinkt 

door op de selectietoets te drukken.

Geactiveerde frequenties

Sonde 

Leidingtracering 

Stroom (passieve tracering)

Maateenheden

Voet/Meter

Achtergrondverlichtingsopties

Aan/Uit/Auto

LCD-contrast

Vermeerderen/Verminderen

Schermelementenselectie  

(aan- of afvinken)

Traceermodus 

Sondemodus

Waterpeilmarkering

“Geen-signaal”-indicator

Geluidssignalen

Signaalsterkte centreren*

Signaalsterkte

Hoekindicator

Dempen > 99’

Leidingen traceren*

*=alleen leidingtraceerscherm

Frequentieselectie

 (aan- of afvinken)

Sonde 

16 Hz, 512 Hz, 640 Hz, 850 Hz, 8 kHz 

16 kHz, 33 kHz

Leidingtracering 

128 Hz, 1 kHz, 8 kHz, 33 kHz,  

200 kHz, 262 kHz

Vermogen 

50 Hz, 60 Hz

Informatiemenu

Standaardinstellingen herstellen 

(aanvinken Ja/Nee)

background image

  NaviTrack® II

20

Appendix: Een betere manier om te 

lokaliseren

De  NaviTrack® II  is  een  professionele  plaatsbepaler  voor  het 

traceren van ondergrondse leidingen, buizen en kabels en het 

lokaliseren  van  sondes.  De  NaviTrack® II  gebruikt  alzijdig 

gerichte antennes en geavanceerde gegevensverwerking om 

het lokaliseren van sondes en het traceren van ondergrondse 

leidingen snel, accuraat en gemakkelijk uit te voeren. Hij heeft 

een aantal functies die de kunst van het lokaliseren aanzienlijk 

bevorderen.

De  NaviTrack® II  verschaft  de  operator  een  beeld  van  de 

situatie rondom terwijl hij de ontvanger door het doelgebied 

beweegt en hij maakt het gemakkelijker te begrijpen waar het 

elektromagnetische  veld  van  een  doelleiding  zich  precies 

bevindt. Hij schetst de precieze situatie van de te lokaliseren 

sonde of leiding. Aan de hand van complete informatie krijgt 

de  operator  inzicht  in  de  situatie  onder  de  grond,  zodat  hij 

complexe situaties kan oplossen, inaccurate markeringen kan 

vermijden en de juiste leiding of kabel sneller kan vinden.

Wat de NaviTrack® II doet

De  NaviTrack® II  wordt  gebruikt  boven  de  grond  voor  het 

detecteren  en  traceren  van  elektromagnetische  velden  die 

worden  gegenereerd  door  ondergrondse  of  verborgen 

leidingen  (elektrische  geleiders  zoals  metalen  draden  of 

buizen) of sondes (actief uitzendende bakens). 

Wanneer de velden onvervormd zijn, geeft de informatie van 

de gedetecteerde velden een accuraat beeld van het onder-

grondse  object.  Wanneer  de  situatie  wordt  gecompliceerd 

door de interferentie van meer dan één leiding of door andere 

factoren, verschaft de NaviTrack® II een scherm vol informatie 

met verscheidene metingen van het gedetecteerde veld. Deze 

gegevens kunnen het gemakkelijker maken te begrijpen waar 

het probleem zich situeert, door aan te geven of een lokalise-

ring juist of fout, twijfelachtig of betrouwbaar is. In plaats van 

gewoon verf aan te brengen op de verkeerde plaats, kan een 

plaatsbepaler duidelijk zien wanneer een moeilijke plaatsbe-

paling opnieuw moet worden geëvalueerd. 

De NaviTrack® II verschaft meer van de kritieke informatie die 

een  plaatsbepaler  nodig  heeft  om  de  situatie  van  een  te 

lokaliseren leiding te begrijpen.

Wat hij niet doet

De  NaviTrack® II  lokaliseert  door  het  detecteren  van  elektro-

magnetische  velden  rondom  geleidende  objecten;  hij  

detecteert  de  ondergrondse  objecten  dus  niet  rechtstreeks. 

Hij verschaft meer informatie over de vorm, de richting en de 

oriëntatie van velden dan andere plaatsbepalers, maar hij kan 

die  informatie  niet  op  magische  wijze  interpreteren  of  een 

waar röntgenbeeld verschaffen van de ondergrond.  

Een  vervormd,  complex  veld  in  een  omgeving  met  veel  ruis 

vereist  heel  wat  menselijk  denkvermogen  om  correct  te 

analyseren.  De  NaviTrack® II  kan  de  resultaten  van  een 

moeilijke  lokalisering  niet  wijzigen,  ook  al  toont  hij  al  de 

informatie  over  die  resultaten.    Door  gebruik  te  maken  van 

wat  de  NaviTrack® II  toont,  kan  een  goede  operator  de 

lokaliseringsresultaten  verbeteren  door  “de  kring  beter  te 

maken”,  de  frequentie  of  de  aarding  te  wijzigen,  of  door  de 

plaats  van  het  instrument  boven  de  doelleiding  te  wijzigen. 

Zo  is  de  kans  groter  dat  de  plaatsbepaler  het  van  de  eerste 

keer goed heeft.

Voordelen van de alzijdig gerichte 

antenne

In  tegenstelling  tot  de  enkelvoudige  windingen  die  worden 

gebruikt  in  vele  eenvoudige  plaatsbepalingsinstrumenten, 

detecteert  de  alzijdig  gerichte  antenne  velden  op  drie 

verschillende  assen,  en  kan  ze  die  signalen  combineren  tot 

een  “beeld”  van  de  klaarblijkelijke  sterkte,  oriëntatie  en 

richting  van  een  veld.  Alzijdig  gerichte  antennes  bieden 

duidelijke voordelen:

De kaartweergave

De  kaartweergave  die  wordt  mogelijk  gemaakt  door  alzijdig 

gerichte  antennes  verschaft  een  grafische  weergave  van  de 

kenmerken  van  een  signaal  en  een  vogelperspectief  op  het 

ondergrondse  signaal.  Ze  wordt  gebruikt  als  gids  voor  het 

opsporen  van  ondergrondse  leidingen  en  kan  worden 

gebruikt  voor  het  zoeken  van  sondes.  Ze  kan  ook  worden 

gebruikt  om  meer  informatie  te  krijgen  over  complexe 

plaatsbepalingen. 

  

Dankzij het gebruik van lijnen (die de signalen voorstellen die 

worden gedetecteerd door de onderste en bovenste antenne) 

kan  de  plaatsbepaler  grafisch  zien  waar  hij  zich  bevindt  en 

waar de doelleiding of sonde zich bevindt. Terzelfder tijd ver-

schaft het scherm al de informatie die nodig is om te begrij-

pen wat er gebeurt met het te lokaliseren veld: signaalsterkte, 

continue afstand, hoek, nabijheid tot het doel. De informatie 

die gelijktijdig wordt verschaft door de NaviTrack® II zou met 

bepaalde  conventionele  plaatsbepalers  meerdere  proef-

lezingen  vergen.  Een  vervormd  of  samengesteld  veld  is  

gemakkelijker te interpreteren wanneer al de informatie zich 

op één enkel scherm bevindt, zoals bij de NaviTrack® II.

background image

   

NaviTrack® II

21

Oriëntatie tot het signaal

Op grond van de vele signalen die door elke alzijdig gerichte 

antenne  worden  verwerkt,  wordt  het  signaal  van  het  doel 

altijd sterker naarmate de ontvanger dichter bij het doel komt. 

De manier waarop het instrument wordt vastgehouden heeft 

geen invloed op de signaalsterkte. De gebruiker kan het doel 

benaderen  vanuit  om  het  even  welke  richting  en  hoeft  de 

ligging van de buis of kabel niet te kennen.

Lokaliseren van sondes

Wanneer  hij  met  een  sonde  wordt  gebruikt,  elimineert  de 

NaviTrack® II  nulsignalen  en  ”valse  pieken”.  Het  signaal  van 

conventionele  plaatsbepalers  vertoont  vaak  een  toename 

gevolgd  door  een  nulsignaal  (beter  beschreven  als  geen 

signaalregistratie op de antenne) en vervolgens een piek. Dat 

kan de operator in de war brengen, vooral als hij een kleinere 

piek interpreteert als het doel. 

Figuur 35: het signaal van een sonde zoals het wordt  

“gezien” door een conventionele plaatsbepaler

De hoofdpiek is het centrum, en de twee valse 

pieken bevinden zich buiten de twee nulsignalen.

De  NaviTrack® II  gebruikt  slechts  één  piek  om  de  gebruiker 

naar  het  doel  te  leiden.  Het  zoeken  van  een  sonde  op  basis 

van signaalsterkte is een zeer direct proces.

Figuur 36: signaal zoals de NaviTrack® II het “ziet” 

Het kan alleen maar “omhoog” gaan naar het 

maximumsignaal.

Nabijheidssignaal

Het  nabijheidssignaal  van  de  NaviTrack® II  is  een  nieuw 

gegeven,  dat  het  gemakkelijker  maakt  de  plaatsbepaler  te 

richten op de doelleiding. Het vertelt de operator hoe ver het 

instrument  van  het  doel  verwijderd  is.  Het  gebruik  van  het 

nabijheidssignaal  bij  een  lokalisering  levert  een  beter 

gedefinieerde piek op dan wanneer men alleen gebruik maakt 

van de signaalsterkte.

Het nabijheidssignaal is het resultaat van een vergelijking van 

de informatie die wordt geregistreerd door de twee alzijdige 

gerichte  antennes  (de  bovenste  en  de  onderste)  van  de 

NaviTrack® II.  De  NaviTrack® II  verschaft  een  ogenblikkelijk, 

geïntegreerd  beeld  van  de  veldomstandigheden  op  ieder 

ogenblik en in ieder punt langsheen het tracé van de leiding. 

 “Informatielokalisering”

Dankzij de geavanceerde verwerkings- en schermfuncties van 

de  NaviTrack® II  maakt  de  door  het  instrument  verschafte 

informatie het duidelijk wanneer een lokalisering betrouwbaar 

is en wanneer ze twijfelachtig is.

Een  goede  plaatsbepaler  kan  de  ondergrondse  situatie  veel 

gemakkelijker begrijpen op basis van de gecombineerde infor-

matie verschaft door:

  het nabijheidssignaal/de signaalsterkte

  de signaaltraceerlijnen van elke antenne

  de continue diepte-indicaties

Deze  indicatoren  tonen  wat  de  antennes “voelen”  terwijl  ze 

door het veld worden bewogen. Dit signaleert wanneer een 

veld wordt vervormd door interferentie van andere leidingen 

of  objecten  in  de  buurt,  omdat  de  indicatoren  elkaar 

tegenspreken in geval van vervorming. Wanneer hij weet dat 

er  vervorming  in  het  spel  is,  kan  de  operator  daar  iets  aan 

proberen te doen of er tenminste rekening mee te houden. 

(Bijvoorbeeld,  de  dieptemeting  in  vervormde  velden  wordt 

twijfelachtig.)

Anderzijds kan men dankzij die grote hoeveelheid informatie 

ook de bevestiging krijgen dat een plaatsbepaling correct is. 

Als  alle  indicatoren  met  elkaar  overeenstemmen  en  redelijk 

lijken,  is  de  graad  van  vertrouwen  in  een  lokalisering  veel 

hoger. 

Valse pieken

Nulsignalen

Piek

Piek

background image

  NaviTrack® II

22

De NaviTrack® II tot het uiterste 

benutten

De  basisfuncties  van  de  NaviTrack® II  zijn  vlug  geleerd.  Maar 

het  instrument  heeft  ook  een  aantal  geavanceerde  functies 

die  het  lokaliseren  in  moeilijke  omstandigheden  veel 

gemakkelijker maken als de operator ze weet te interpreteren.

Meer informatie over lokaliseren

Normaal is een veld rondom een lange geleider zoals een buis 

of kabel cirkelvormig. Wanneer de plaatsbepaler zich midden 

boven een cirkelvormig veld bevindt, mag men de volgende 

indicatoren verwachten:

  Maximumsignaalsterkte

  Maximumnabijheidssignaal (leidingtraceermodus)

  Gecentreerde traceerlijnen

  Redelijke en coherente dieptemeting

  Toonhoogte  en  -volume  stijgen  tot  ze  hun  maximum 

bereiken boven de leiding.

De  ervaren  operator  leert  de  ondergrondse  situatie  te “zien” 

omdat hij weet hoe de verschillende door de NaviTrack® II ver-

strekte gegevens zich tot elkaar verhouden. Terwijl een een-

voudige ongecompliceerde lokalisering van een cirkelvormig 

veld snel en gemakkelijk is, kan het traceren van een leiding 

die zich in de buurt van andere grote geleiders bevindt, zoals 

stroomleidingen,  telefoonleidingen,  gasleidingen  of  zelfs 

begraven metaalafval, vragen doen rijzen die uitsluitend cor-

rect  kunnen  worden  beantwoord  door  rekening  te  houden 

met al de beschikbare informatie.

Door de signaalsterkte, de hoek, het nabijheidssignaal, de sig-

naaltraceerlijnen  en  de  diepte  met  elkaar  te  vergelijken  kan 

een operator zien op welke manier het veld wordt gestoord. 

Een vergelijking van de veldinformatie met een gefundeerde 

situatieschets van de ondergrond, rekening houdend met de 

plaats  van  transformators,  meters,  aansluitdozen,  in-

spectieputten en andere indicatoren, kan de operator helpen 

de  oorzaak  van  de  veldstoring  beter  te  begrijpen.  Vooral  in 

complexe situaties is het belangrijk te beseffen dat de enige 

absoluut zekere manier om een leiding te lokaliseren erin be-

staat ze fysisch bloot te leggen.

Samengestelde  of  complexe  velden  genereren  verschillende 

indicaties op de NaviTrack® II, die aangeven wat er precies aan 

de hand is.

   De traceerlijnen stemmen niet met elkaar overeen

  Incoherente of onrealistische dieptemeting

  Schommelende  willekeurige  indicaties  (ook  veroor-

zaakt door een zeer zwak signaal)

  Incoherent nabijheidssignaal (leidingtraceermodus)

  Signaalsterktemaximalisering  uit  langs  één  kant  van 

de geleider

Opmerkingen over accuraatheid

Diepte-,  nabijheids-  en  signaalsterktemetingen  vereisen  dat 

de NaviTrack® II een sterk signaal ontvangt. Zoals u reeds weet 

wordt  de  NaviTrack® II  gebruikt  boven  de  grond  voor  het 

detecteren  van  elektromagnetische  velden  die  worden 

gegenereerd  door  ondergrondse  leidingen  (elektrische 

geleiders  zoals  metalen  draden  of  buizen)  of  sondes  (actief 

uitzendende  bakens).  Wanneer  de  velden  eenvoudig  en 

ongestoord zijn, is de informatie van de gedetecteerde velden 

representatief voor het ondergronds object.

Als  die  velden  gestoord  zijn  en  er  meerdere  elkaar 

beïnvloedende velden voorkomen, zal dat ervoor zorgen dat 

de  NaviTrack® II  onnauwkeurig  werkt.  Plaatsbepaling  is  geen 

exacte  wetenschap.  Het  vereist  dat  de  operator  zijn 

beoordelingsvermogen  aanspreekt  en  zoekt  naar  zoveel 

mogelijk  extra  informatie  naast  de  aflezingen  op  het 

instrument.  De  NaviTrack® II  verschaft  de  gebruiker  meer 

informatie  maar  het  is  aan  de  operator  om  die  informatie 

correct  te  interpreteren.  Geen  enkele  fabrikant  van 

plaatsbepalingssystemen  zal  beweren  dat  een  operator  uit-

sluitend  mag  vertrouwen  op  de  informatie  van  zijn 

instrument. Een verstandige operator behandelt de informatie 

die  hij  krijgt  als  een  gedeeltelijke  oplossing  voor  het 

lokaliseringsprobleem en combineert ze met zijn kennis van 

de omgeving, zijn kennis omtrent ondergrondse leidingen in 

het  algemeen,  visuele  observatie  en  zijn  kennis  van  het 

instrument om tot een geïnformeerde conclusie te komen.

Onder  bepaalde  omstandigheden  mag  men  er 

niet

  van 

uitgaan dat de lokalisering accuraat is:

Wanneer  er  andere  leidingen  in  de  buurt  zijn.

 “Over-

vloeiing”  veroorzaakt  gestoorde  velden  en  bekrachtigt  

andere leidingen dan de doelleiding. Gebruik indien mo-

gelijk  lagere  frequenties  en  elimineer  alle  verbindingen 

tussen de twee leidingen.

Figuur 37: overvloeiing

background image

   

NaviTrack® II

23

Wanneer  de  leiding T-stukken  of  vertakkingen  bevat.

Wanneer  u  een  duidelijk  signaal  volgt  dat  plots 

dubbelzinnig  wordt,  probeert  u  best  te  zoeken  in  een 

cirkel  van  ongeveer  5-6  m  rondom  het  laatst  gekende 

punt  om  na  te  gaan  of  het  signaal  opnieuw  duidelijk 

wordt.  Dat  kan  een  vertakking,  een  verbinding  of  een 

andere  verandering  in  de  leiding  blootleggen.  Wees 

waakzaam  voor  “splitsingsmogelijkheden”  of  plotse 

richtingsveranderingen in de te traceren leiding.

Wanneer  de  signaalsterkte  te  gering  is.

  Een  sterk  sig-

naal is noodzakelijk voor een nauwkeurige plaatsbepaling. 

Een zwak signaal kan worden verbeterd door de aarding 

van de kring, de frequentie of de zenderaansluiting te wij-

zigen. De verstandige plaatsbepaler weet dat isolatie een 

beter  signaal  oplevert. Versleten  of  beschadigde  isolatie, 

blote  concentrische  kabels  en  aan  aarde  blootgestelde 

ijzeren  buizen  compromitteren  de  signaalsterkte  door 

aardlekken.

Het aarden van het verste uiteinde

 zal de signaalsterkte 

aanzienlijk  veranderen. Wanneer  het  niet  mogelijk  is  het 

verste uiteinde te aarden, verschaft een hogere frequentie 

een sterker signaal. Het verbeteren van de aarding van de 

lokaliseringskring  is  een  van  de  voornaamste  remedies 

voor een zwak signaal.

Wanneer  de  bodemomstandigheden  variëren. 

Ex-

tremen  inzake  vocht  of  droogte  kunnen  de  metingen  

beïnvloeden.  Bijvoorbeeld,  aarde  die  verzadigd  is  met 

zoutwater zal het signaal ernstig afschermen en het lokali-

seren bijzonder moeilijk maken, vooral bij hoge frequen-

ties.  Maar  het  toevoegen  van  water  aan  een  zeer  droge 

aarde rondom een aardingspin kan het signaal aanzienlijk 

verbeteren.

In  de  aanwezigheid  van  grote  metalen  voorwerpen.

Gewoon  voorbij  een  geparkeerde  wagen  lopen  tijdens 

een tracering kan een onverwachte tijdelijke signaalsterk-

teverhoging  veroorzaken.  Dit  effect  is  sterker  bij  hoge  

frequenties,  die  zich  vlugger  “vastkoppelen”  aan  andere 

voorwerpen.

Een  ontvanger  kan  de  onderliggende  voorwaarden  van  een 

moeilijke lokalisering niet veranderen, maar het wijzigen van 

de frequentie, de aarding of de zenderlocatie, of het isoleren 

van  de  doelleiding  van  een  raakvlak  kan  de  resultaten 

verbeteren,  door  een  betere  aardaansluiting  te  maken, 

signaalsplitsingen te voorkomen en vervorming te reduceren. 

Andere  ontvangers  zullen  aangeven  dat  ze  zich  misschien 

boven  de  leiding  bevinden,  maar  zijn  minder  in  staat  iets  te 

vertellen over de 

kwaliteit 

van de lokalisering.  

De NaviTrack® II verschaft 

meer informatie.

  Als alle indicatoren 

overeenkomen  en  met  elkaar  stroken,  kunnen  er  met  meer 

vertrouwen  markeringen  worden  aangebracht.  Als  het  veld 

vervormd is, is dat meteen duidelijk.  Dat stelt de operator in 

staat  iets  te  doen  om  de  doelleiding  te  isoleren,  de  aarding, 

het aansluitingspunt of de frequentie te wijzigen, of de zender 

te  verplaatsen  om  te  komen  tot  een  betere  ontvangst  met 

minder  vervorming.  Voor  nog  meer  zekerheid  kunt  u  de 

situatie  fysisch  controleren,  bijvoorbeeld  door  hier  en  daar 

gaten te graven.

Bij  de  eindanalyse

  is  de  operator  het  “belangrijkste 

onderdeel” van de lokaliseringstaak. De NaviTrack® II verschaft 

de plaatsbepaler een ongeëvenaarde hoeveelheid informatie 

waarmee hij snel tot een accurate conclusie kan komen.

Onderhoud van de NaviTrack® II

Transport en bewaring

Schakel  het  toestel  uit  alvorens  het  te  transporteren  om  de 

batterijen te sparen. 

Berg  het  instrument  voor  transport  veilig  op  zodat  het  niet 

kan  rondstuiteren  of  worden  geraakt  door  andere  losse 

voorwerpen.

De NaviTrack® II moet worden bewaard op een droge en koele 

plaats. 

OPMERKING:

  Wanneer  de  NaviTrack® II  voor  langere  tijd 

wordt  opgeborgen,  moeten  de  batterijen  er  uit  worden 

verwijderd.  Verwijder  de  batterijen  uit  de  NaviTrack® II 

wanneer u hem gaat verzenden.

Installeren/gebruiken van toebehoren

De  NaviTrack® II  wordt  ook  geleverd  met  markeringen  om 

polen of sondes boven de grond te markeren. Er zijn twee (2) 

rode  markeringen  voor  de  polen  en  één  (1)  gele  markering 

voor de sonde. De markeringen kunnen ook worden gebruikt 

om  tijdelijk  punten  te  markeren  om  naar  terug  te  keren 

tijdens het verkennen van een doelgebied of het traceren van 

een leiding.

Voor  meer  ondersteuning  kunt  u  terecht  bij  uw  verdeler  of 

onderhoudsdienst  of  rechtstreeks  bij  Ridge  Tool  Europe  

(++  32/16.380.211).  Reserveonderdelen  kunt  u  bestellen  bij 

uw RIDGID-dealer.

background image

  NaviTrack® II

24

Onderhoud en reiniging

WAARSCHUWING

1.  Reinig  de  NaviTrack® II  regelmatig  met  een  vochtige 

doek  en  wat  milde  detergent.  Dompel  hem  nooit 

onder in water.

2.  Gebruik nooit schuursponsjes of schuurmiddelen aan-

gezien  die  het  display  permanent  kunnen 

beschadigen.  GEBRUIK  NOOIT  OPLOSMIDDELEN  voor 

het reinigen van om het even welk onderdeel van het 

instrument.  Stoffen  als  aceton  of  andere  agressieve 

chemicaliën kunnen de behuizing doen barsten.

Lokaliseren van defecte onderdelen

Kijk  voor  het  oplossen  van  storingen  in  het  hoofdstuk 

“Oplossen van problemen” op pagina 26. Neem indien nodig 

contact  op  met  uw  verdeler  of  met  uw  Ridge  Tool-

onderhoudsdienst.  

Onderhoud en reparatie

WAARSCHUWING

Het instrument moet naar een erkende RIDGID-onderhouds-

dienst  worden  gebracht  of  worden  teruggezonden  naar  de 

fabriek. Voor alle herstellingen uitgevoerd door Ridge-onder-

houdsdiensten  wordt  een  garantie  gegeven  op  materiaal-

gebreken en uitvoeringsfouten.

background image

   

NaviTrack® II

25

Pictogrammen en symbolen

Figuur 38: Pictogrammen en symbolen

TOETSENBORDPICTOGRAMMEN

Menunavigatie

Menuselectie 

Sondemodus: Geforceerde dieptemeting/Audio opnieuw centreren 

Leidingtraceringsmodus: geforceerde dieptemeting, geforceerde stroom, audio 

opnieuw centreren, Signaalsterktenabijheidsinstelling; Kaart Aan forceren

Menunavigatie

Aan/uit-toets

Menutoets

Frequentietoets

Geluidtoets

SCHERMPICTOGRAMMEN (vervolg)

Audioniveau

Batterijniveau

Waarschuwing voor bijna lege batterijen 

(knippert)

Sterkte van het analoge signaal

Maximale sterkte van het analoge signaal

Geen sonde aanwezig

Geen tracering aanwezig

Signaal van bovenste antenne

Signaal van onderste antenne

Signaalafkapping (“clipping”)

SCHERMPICTOGRAMMEN

Sondefrequentie

Actieve-traceringsfrequentie

Nabijheid

Signaalsterkte

Afstand (diepte)

2D horizontale-hoekindicator

Horizontale-hoekindicator

Poolpictogram

Sonde 0-lijn

MENUPICTOGRAMMEN

Fabrieksinstellingen 

herstellen

Menuaankruisvakje

Tools-menu

Instellingen 

achtergrondverlichting

Schermcontrast regelen

Scherminstelling

Menu-instelling

Informatiescherm

Menu-timeout-teller

Een niveau naar boven 

(druk op menutoets)

background image

  NaviTrack® II

26

Oplossen van problemen

PROBLEEM

WAARSCHIJNLIJKE FOUTLOCATIE

NaviTrack® II blokkeert 

tijdens het gebruik.

Schakel het instrument uit, en vervolgens weer in.  Verwijder de batterijen uit het instrument als u 

het niet kunt uitschakelen. Vervang de batterijen als ze bijna leeg zijn.

Bij het traceren 

“springen” er lijnen over 

het hele scherm in de 

kaartweergave.

Dat geeft aan dat de NaviTrack® II het signaal niet ontvangt of dat er sprake is van interferentie.

Ga na of de zender goed aangesloten en geaard is. Wijs de NaviTrack® II in de richting van een van 

de draden om na te gaan of er een volledige kring is.

Probeer een hogere frequentie of een aansluiting op een ander punt in de leiding, of schakel om 

naar de inductiemodus.

Tracht de bron van eventuele ruis te bepalen en elimineer ze. (gebonden aarding, enz.)

Bij het opsporen van een 

sonde “springen” er 

lijnen over het hele 

scherm.

Controleer de batterijen van de sonde.

Misschien is de sonde te ver verwijderd; probeer ze dichterbij te brengen of zoek het gebied af.

Controleer het signaal door de onderste antenne vlak bij de sonde te houden.  

OPMERKING

 – Sondes kunnen moeilijk signalen verzenden doorheen gietijzeren en smeedijzeren 

leidingen.    

De afstand tussen de 

sonde en de beide polen 

is niet gelijk.

De sonde kan gekanteld zijn of er kan een overgang zijn van gietijzer naar plastic.

Het instrument gedraagt 

zich onregelmatig, en 

kan niet worden 

uitgeschakeld.

Misschien zijn de batterijen bijna leeg. Vervang ze door nieuwe batterijen en schakel het 

instrument weer in.

Het display is volledig 

donker of volledig 

verlicht bij het 

inschakelen.

Schakel het instrument uit, en vervolgens weer in.

Regel het LCD-contrast.

Er is geen geluid.

Regel het geluidsniveau in het geluidsmenu.

De NaviTrack® II 

ontvangt het signaal 

niet.

Ga na of de correcte modus en frequentie werden ingesteld. Ga hoe de kring zou kunnen worden 

verbeterd. Verplaats de zender, wijzig de aarding, frequentie, enz.

De NaviTrack® II kan niet 

worden ingeschakeld.

Controleer of de batterijen correct werden geïnstalleerd.

Ga na of de batterijen niet leeg zijn.

Ga na of de batterijcontacten OK zijn.

Misschien is een zekering in het apparaat doorgesmolten. (Fabrieksreparatie vereist.)

background image

   

NaviTrack® II

27

Specificaties

Gewicht met batterijen .......... 2,4 kg

Afmetingen

  Lengte  ................................... 38,0 cm 

  Breedte  .................................. 18,2 cm 

  Hoogte  .................................. 79,0 cm

Voeding

   4 C-batterijen, 1,5 V alkali (ANSI/NEDA 14A, IEC LR14) of 

herlaadbare 1,2 V NiMH- of NiCad-batterijen

Nominaal vermogen: 6 V, 550 mA

Signaalsterkte

   Niet-lineair in functie. 2000 is 10x hoger dan 1000, 3000 is 

10x hoger dan 2000, enz.

Bedrijfsomgeving

  Temperatuur ........................ -20°C tot 50°C (-4°F à 122°F) 

  Luchtvochtigheid ............... 5% tot 95% RLV

Opslagtemperatuur ................. -20°C tot 60°C (-4°F à 140°F)

Standaardinstellingen

Diepte-eenheden = voet & inches

Volume = 1 (een waarde boven gedempt)

Achtergrondverlichting = Auto

60 Hz (stroom) standaardmodus

Standaarduitrusting

  NaviTrack® II-plaatsbepaler

• 

  Markeringen en masthouder

  Handleiding

  4 C-celbatterijen (Alkali)

  Opleidingsvideo (DVD)

Optionele apparatuur

• 

Extra pool/sondemarkeringen

  ST-301-zender

  ST-501-zender

  Inductieklem (12 cm)

  Batterijsonde

  Vlottersonde

Frequenties

Standaardfrequenties:

Sonde

 ........................................... 512 Hz

Actieve leidingtracering

 .....  128 Hz, 1 kHz, 8 kHz,  

33 kHz

Stroomleidingtracering

 ...... 60 Hz (9th)

Optionele frequenties:

Sonde

 ...........................................  16 Hz, 640 Hz, 850 Hz 

8 kHz, 16 kHz, 33 kHz

Leidingtracering

 ..................... 200 kHz, 262 kHz

Stroom 

 ........................................ 50 Hz

background image

RIDGE TOOL COMPANY

NaviTrack® II

Manuale  

dell’operatore

 AVVERTENZA!

Leggere  con  attenzione 

questo  manuale  dell’ope-

ratore prima di utilizzare lo 

strumento.  Comprendere 

e attenersi al contenuto di 

questo  manuale,  in  caso 

contrario  ne  può  derivare 

una  scossa  elettrica,  l’in-

cendio  e/o  gravi  lesioni 

personali.

NaviTrack® II

Localizzatore di tubi, cavi e sonde

background image

   

NaviTrack® II

1

Informazioni generali 

antinfortunistiche

AVVERTENZA!

  Leggere  con  atten-

zione  queste  istruzioni  e  l’opuscolo 

antinfortunisticho  allegato  prima 

di  utilizzare  queste  attrezzature.  In 

caso di incertezza su qualsiasi aspetto dell’uso 

di  questo  strumento,  contattare  il  proprio 

distributore RIDGID per ulteriori informazioni.

Comprendere  e  attenersi  a  tutte  le  istruzioni, 

in  caso  contrario  ne  può  derivare  una  scossa 

elettrica, l’incendio e/o gravi lesioni personali.

CONSERVARE IL PRESENTE MANUALE DI 

ISTRUZIONI!

Non sondare linee ad alta tensione

Precauzioni relative alla batteria

Utilizzare solo una batteria delle dimensioni e del tipo 

specificato.  Non  associare  tipi  diversi  di  batterie  (ad 

esempio,  non  utilizzare  le  alcaline  con  le  ricaricabili).

Non  utilizzare  contemporaneamente  batterie  cariche  e 

batterie usate (ad esempio, vecchie e nuove). 

Ricaricare le batterie con le unità di ricarica specificate 

dal produttore della batteria. 

L’uso di un’unità di ricarica 

sbagliata può surriscaldare e rompere la batteria.

Eliminare  correttamente  le  batterie.

  L’esposizione 

a  temperature  elevate  può  causare  l’esplosione  della 

batteria;  pertanto  non  gettare  la  batteria  nel  fuoco.  Per 

l’eliminazione  delle  batterie,  rispettare  la  normativa  in 

vigore nel proprio paese. Seguire le norme riguardanti lo 

smaltimento dei rifiuti.

Sicurezza personale

Utilizzare  gli  accessori  appropriati.

  Non  appoggiare 

questo prodotto su un carrello o una superficie instabile. 

Il prodotto può cadere provocando una grave lesione a un 

bambino  o  a  un  adulto  o  il  grave  danneggiamento  dello 

stesso.

Evitare  l’ingresso  di  oggetti  e  di  liquido.

  Non  versare 

mai liquidi di qualsiasi tipo sul prodotto. Il liquido aumenta 

il  rischio  di  scossa  elettrica  e  di  danneggiamento  del 

prodotto.

Evitare  il  traffico.  Prestare  grande  attenzione  ai 

veicoli  in  movimento  durante  l’uso  sopra  o  vicino 

alle  carreggiate.  Indossare  abbigliamento  visibile  o 

giubbotti retroriflettenti.

 Tali precauzioni possono evitare 

gravi lesioni.

NaviTrack® II Utilizzo e cura 

Usare l’attrezzatura solo come indicato.

 Per azionare 

il NaviTrack® II occorre aver letto il manuale del istruzioni 

e seguito un corso di addestramento di sul suo uso.

Non immergere in acqua le antenne. Conservare in 

un  posto  asciutto.

  Questo  ridurrà  il  rischio  di  scossa 

elettrica e di danneggiamento dello strumento.

Conservare le attrezzature non utilizzate fuori dalla 

portata di bambini e altre persone non addestrate.

Le attrezzature sono pericolose nelle mani di utenti non 

addestrati.

Eseguire  una  manutenzione  accurata  dello  stru-

mento.

 Degli strumenti diagnostici mantenuti corretta-

mente offriranno meno probabilità di provocare delle 

lesioni.

background image

  NaviTrack® II

2

  Assistenza

L’assistenza  dello  strumento  diagnostico  deve  essere 

eseguita  solo  da  personale  di  riparazione  qualificato. 

Qualsiasi intervento di assistenza o manutenzione eseguito 

da  personale  non  qualificato,  potrebbe  essere  causa  di 

lesioni personali.

Nell’eseguire  la  manutenzione  di  uno  strumento 

diagnostico,  utilizzare  unicamente  pezzi  sostitutivi 

identici.

  Seguire  le  istruzioni  riportate  nella  sezione  di 

manutenzione  di  questo  manuale.  Se  verranno  usate 

parti  non  autorizzate  o  non  si  seguiranno  le  istruzioni  di 

manutenzione, si potrà creare un rischio di scossa elettrica 

o di lesioni.

Eseguire un controllo di sicurezza.

 Al completamento di 

qualsiasi manutenzione o riparazione di questo prodotto, 

chiedere  al  tecnico  di  assistenza  di  eseguire  dei  controlli 

di  sicurezza  per  determinare  che  il  prodotto  sia  nelle 

condizioni operative appropriate.

Danneggiamento al prodotto che richiede l’assistenza.

Rimuovere  le  batterie  e  affidare  la  manutenzione  a  del 

personale  di  assistenza  qualificato  in  presenza  di  una 

qualsiasi delle seguenti condizioni:

o   Se è stato versato del liquido o se corpi estranei sono 

entrati nel localizzatore;

o   Se il localizzatore non funziona normalmente quando 

vengono seguite le istruzioni operative;

o   Se il localizzatore è caduto e/o si sia danneggiato;

o   Quando  il  localizzatore  dimostra  un  deciso  cambia-

mento delle prestazioni.

Se avete delle domande riguardanti l’assistenza o la riparazione 

di  questa  macchina,  contattate  il  vostro  distributore  o 

direttamente la Ridgid Italia srl.

In  qualsiasi  corrispondenza,  specificare  tutte  le  informazioni 

riportate sulla targhetta dello strumento, tra cui il codice del 

modello e il numero di serie.

Nota importante

Il NaviTrack® II è uno strumento diagnostico che rileva i campi 

elettromagnetici  emessi  da  oggetti  che  si  trovino  sottoterra. 

Esso  è  progettato  per  aiutare  l’utente  a  localizzare  questi 

oggetti riconoscendo le caratteristiche delle linee magnetiche 

e  visualizzandole  sullo  schermo.  Poiché  le  linee  del  campo 

elettromagnetico  possono  essere  distorte  e  soggette  a 

interferenze,  è  importante  verificare  la  posizione  di  oggetti 

sotterranei prima di scavare.

È  possibile  che  nella  stessa  zona  siano  interrate  diverse 

condutture di pubblica utenza. Assicurarsi di attenersi alle 

direttive locali e alle procedure di assistenza su chiamata.

L’esposizione  delle  condutture  di  pubblica  utenza  è 

l’unico  modo  per  verificarne  l’esistenza,  la  posizione  e  la 

profondità.

Ridge Tool Co., le sue filiali e fornitori, non sarà responsabile 

di eventuali lesioni o di qualsiasi danneggiamento diretto 

e indiretto, accidentale o conseguente sostenuti o incorsi a 

causa dell’utilizzo di NaviTrack® II.

background image

   

NaviTrack® II

3

Componenti di NaviTrack® II 

Figura 1: Componenti di NaviTrack® II 

Comparto batterie

Targhetta numero di serie

Connettore USB

Connettore porta seriale

Supporto antenna

Segnali sonda colorati

Nodo dell’antenna superiore

Giunto pieghevole

Nodo dell’antenna inferiore

Display

Tastiera

Impugnatura

Altoparlante

Comparto batterie

Targhetta numero di serie

Connettore USB

Connettore porta seriale

Display

Tastiera

Impugnatura

Altoparlante

Supporto antenna

Segnali sonda colorati

Nodo dell’antenna 

superiore

Giunto pieghevole

Nodo dell’antenna 

inferiore

background image

  NaviTrack® II

4

Presentazione del NaviTrack® II

Istruzioni preliminari

Installazione/sostituzione delle batterie

Per  l’installazione  delle  batterie  nel  NaviTrack® II,  rovesciare 

l’unità per accedere al compartimento della batteria. Ruotare 

in senso antiorario la manopola posta sul coperchio del vano 

batterie.  Sollevare  la  manopola  per  rimuovere  il  coperchio. 

Inserire le batterie come mostrato in figura e accertarsi che i 

contatti combacino.

Ricollocare il coperchio sul vano; ruotare la manopola in senso 

orario ed esercitare contemporaneamente una lieve pressione 

fino  alla  chiusura.  Il  coperchio  della  batteria  può  essere 

reinstallato ruotandolo in entrambi i sensi.

Figura 2: Vano batterie

Quando  il  NaviTrack® II  viene  acceso,  impiega  alcuni  secondi 

per controllare le batterie. Fino a quel momento, il livello della 

batteria verrà visualizzato come “vuoto”. 

 AVVERTENZA!

  Non  permettere  a  detriti  o  all’umidità 

di  penetrare  nel  compartimento  della  batteria.  I  detriti  o 

l’umidità all’interno del compartimento della batteria possono 

cortocircuitarne  i  contatti,  provocandone  la  rapida  scarica, 

con  conseguente  possibile  perdita  di  elettrolito  o  rischio 

d’incendio.

Ripiegamento del supporto

Per  iniziare  l’uso,  aprire  il  supporto  dell’antenna  e  bloccare 

in  posizione  il  giunto  pieghevole.    Una  volta  completata  la 

localizzazione, premere la leva rossa di rilascio per piegare il 

supporto dell’antenna e riporla. 

 AVVERTENZA:

  Non  colpire  o  scuotere  il  NaviTrack® II  per 

aprirlo o chiuderlo. Aprirlo e chiuderlo solo con la mano.

NOTA: 

Evitare  di  trascinare  il  nodo  dell’antenna  inferiore  sul 

terreno durante la localizzazione con il NaviTrack® II. Ciò può 

provocare un disturbo di segnale che interferirà con i risultati, 

e alla fine potrebbe danneggiare l’antenna.

Figura 3:  Supporto ripiegabile dell’antenna  

e pulsante di rilascio

background image

   

NaviTrack® II

5

Display

Figura 4: Elementi del display  

(Default, modalità traccia-linea)

Caratteristiche

Sia  un  utilizzatore  principiante  che  un  utilizzatore  esperto 

possono  utilizzare  il  NaviTrack® II  con  uguale  facilità.  Mentre 

il  NaviTrack® II  offre  caratteristiche  avanzate  che  facilitano 

le  più  complesse  operazioni  di  localizzazione,  molte  delle 

sue  funzioni  possono  essere  spente  o  nascoste  per  rendere 

il  display  più  semplice  e  più  chiaro  quando  si  fanno  delle 

operazioni di localizzazione in situazioni semplici.

Caratteristiche di base

Le “caratteristiche di base” del NaviTrack® II vengono visualizzate 

per default. Esse possono essere personalizzate facilmente per 

soddisfare i requisiti dell’utente.

Il display di default quando viene acceso mostrerà le seguenti 

funzioni:

• 

  Angolo  – 

Viene  visualizzato  graficamente  l’angolo 

verso il centro del campo; il valore numerico è visualizzato 

sotto il grafico.

• 

 Livello della batteria – 

indica il livello di potenza 

della batteria.

• 

  Potenza  segnale  –

  Forza  del  segnale  come  rilevato 

dall’antenna inferiore omnidirezionale.

 Profondità/distanza – 

visualizza la profondità quando 

il  ricevitore  sta  toccando  il  terreno  direttamente  sopra 

la  sorgente  del  segnale.  Visualizza  la  distanza  quando 

il  supporto  antenna  è  puntato  alla  fonte  del  segnale  in 

qualche  altro  modo.  L’impostazione  di  default  visualizza 

piedi/pollici.

• 

Modalità –

 Icona di Sonda 

, traccia-linea, 

 , o modalità 

Potenza (traccia passiva)   .

  Frequenza  –

  Visualizza  l’impostazione  attuale  della 

frequenza in Hertz o in kiloHertz.

  Segnale  di  prossimità  – 

Indicazione  numerica 

che  mostra  la  vicinanza  della  sorgente  del  segnale  al 

localizzatore. Visualizza da 1 a 999.

• 

 Traccia  di  segnale  dell’antenna  superiore  – 

la 

linea mostra la direzione apparente del campo come viene 

rilevata dall’antenna superiore.

• 

  Traccia  di  segnale  dell’antenna  inferiore 

 la linea mostra la direzione apparente del campo come 

rilevata dall’antenna inferiore.

  + Centro della Mappa

 mostra dove si trova il ricevitore/

localizzatore rispetto al display della mappa.

Frequenze di default

Le  frequenze  che  sono  attivate  nell’impostazione  di  de-

fault  possono  essere  esaminate  una  alla  volta  durante  la 

localizzazione semplicemente premendo il pulsante Frequenza. 

Le frequenze di default includono:

 Sonda

• 

512 Hz

Traccia-linea

  128 Hz

  1 kHz

  8 kHz

  33 kHz

  262 kHz

  

Potenza (Traccia passiva)

  50/60 Hz

L’utilizzo di queste funzioni è descritto nelle sezioni Traccia di 

Linea, Localizzazione Sonda e Traccia Passiva.

Segnale di 

prossimità

Frequenza

Profondità/

Distanza

Indicatore in 

2D d’angolo 

orizzontale

Indicatore  

numerico d’angolo 

orizzontale

Livello batteria

Potenza segnale

Modalità

background image

  NaviTrack® II

6

Tastiera

  Accensione  On/Off  –

  Accende  il  NaviTrack® II.  Spegne  il 

NaviTrack® II dopo un conto alla rovescia di 3 secondi. Il conto 

alla  rovescia  può  essere  interrotto  prima  dello  spegnimento 

premendo qualsiasi tasto.

  Frecce Su e Giù –

 Utilizzate per individuare le scelte durante 

la  selezione  del  menu;  utilizzato  per  impostare  il  Controllo 

volume quando è stato premuto il tasto audio. 

  Tasto  Selezione  –

  Utilizzato  per  fare  una  scelta  durante 

la  selezione  di  Menu;  durante  il  funzionamento  normale, 

utilizzata  per  forzare  una  lettura  di  profondità  e  ricentrare  il 

tono audio. 

  Tasto Menu –

 Utilizzato per visualizzare un “albero” di scelte, 

comprese le selezioni della frequenza, le scelte degli elementi 

del  display,  la  luminosità  e  il  contrasto  e  per  ripristinare  le 

impostazioni di default. In un menu, si sposterà in alto di un 

livello.

  Tasto Volume  –

  Utilizzato  per  alzare  o  abbassare  l’imposta-

zione del volume; varierà il volume da alto a zero. Premendo 

Volume  apre  il  pannello  di  Controllo  volume  se  è  chiuso,  e 

lo  chiude  se  è  aperto.  Il  volume  può  essere  anche  alzato  e 

abbassato  utilizzando  i  tasti  freccia  quando  ci  si  trova  nel 

pannello di controllo Volume.

  Tasto  Frequenza  – 

Utilizzato  per  impostare  la  frequenza  di 

lavoro  del  NaviTrack® II  dalla  gamma  di  frequenze  attivate. 

L’elenco  delle  frequenze  attivate  può  essere  modificato  per 

mezzo del menu. Le frequenze sono raggruppate in 

quattro 

gamme

: Frequenze di sonda ( 

 ), Frequenze di traccia-linea  

 ), e Frequenze di potenza ( ).

Durata delle batterie

Utilizzando  le  batterie  alcaline,  la  durata  operativa  tipica 

è  di  circa  12  a  24  ore  a  seconda  del  volume  dell’audio  e  del 

tempo  in  cui  il  display  retroilluminato  è  acceso.  Altri  fattori 

che  influenzano  il  tempo  di  funzionamento  comprendono 

la  chimica  della  batteria  (molte  delle  nuove  batterie  ad  alte 

prestazioni, come la “Duracell® ULTRA” durano più a lungo del 

10%  -20%  rispetto  alle  batterie  alcaline  convenzionali  nelle 

applicazioni ad alto assorbimento). La vita della batteria sarà 

ridotta anche dall’azionamento a basse temperature.

Il display del NaviTrack® II può anche visualizzare dei simboli 

casuali  quando  la  corrente  della  batteria  è  troppo  bassa  per 

alimentare  correttamente  i  circuiti  logici  interni.  Per  ovviare 

a  questo  inconveniente  basta  mettere  delle  batterie  nuove 

nell’unità.

Per  conservare  la  durata  della  batteria  il  NaviTrack® II  si 

spegnerà automaticamente dopo 1 ora se non viene premuto 

nessun  tasto.  Per  riprendere  l’uso,  è  sufficiente  accendere 

l’apparecchio.

Avviamento

Dopo  aver  premuto  il  tasto  Potenza 

  sulla  tastierina, 

compare il logo RIDGID®, e nell’angolo inferiore sinistro verrà 

visualizzato il numero di versione software.

Figura 5: Schermo di avviamento

Avvertenza di batteria bassa  

Quando la batteria comincia a scaricarsi, nell’area della mappa 

sullo schermo verrà visualizzata un’icona di batteria 

. Questo 

simbolo indica che è necessario sostituire le batterie e che la 

durata di funzionamento dell’apparecchio sta per esaurirsi. 

Figura 6: Avvertenza di batteria bassa  

Immediatamente prima della disattivazione totale ci sarà una 

sequenza di spegnimento non interrompibile. 

NOTA:

  Talvolta  la  tensione  delle  batterie  ricaricabili  può 

scendere  così  rapidamente  che  l’unità  si  spegne.  Dopo  lo 

spegnimento avviene il reset. E’ sufficente sostituire le batterie 

e riaccendere l’unità.

Tasto di controllo del volume

Tasto su  

Interrogazione Menu

Tasto Selezione  

Voce di menu Selezione

Tasto Menu

Tasto Accensione / 

Spegnimento (On/Off)

Tasto Giù 

Interrogazione Menu

Tasto Frequenza

Tasto di controllo  

del volume

Tasto su  

Interrogazione Menu

Tasto Selezione  

Voce di menu Selezione

Tasto Menu

Tasto Accensione/ 

Spegnimento 

(On/Off)

Tasto Giù 

Interrogazione Menu

Tasto Frequenza