Ridgid NaviTrack II – страница 6
Инструкция к Ridgid NaviTrack II

NaviTrack® II
15
Figuur 24: plaatsbepaling met grote waarschijnlijkheid
VOORZICHTIG:
Kijk uit voor signaalinterferentie die tot
onnauwkeurige aflezingen kan leiden. Dieptemetingen
moeten worden beschouwd als schattingen en
de werkelijke
diepte moet worden nagegaan door de leiding fysisch
bloot te leggen alvorens het graven te starten
.
Een plaatsbepalingszender gebruiken
Bij een actieve leidingopsporing werkt de NaviTrack® II samen
met een actieve plaatsbepalingszender. Er zijn drie manieren
om een plaatsbepalingszender aan te sluiten.
Rechtstreekse aansluiting
De beste manier om een zender aan te sluiten is door hem
rechtstreeks aan te sluiten (metaal op metaal) op één uiteinde
van de te traceren buis, traceerdraad of kabel, en de uitge-
zonden stroom rechtstreeks over de leiding te sturen.
Klemaansluiting
Wanneer rechtstreekse aansluiting onmogelijk is, is het vaak
wel mogelijk een inductieklem rondom de betreffende leiding
te bevestigen, waardoor die inductief wordt bekrachtigd. Om
op doeltreffende wijze een signaal teweeg te brengen met
behulp van een inductieklem, moet de leiding van metaal zijn
en moeten beide uiteinden van de leiding geaard zijn.
(Signaal kan niet teweeg worden gebracht op een leiding in
één richting tenzij de stroom in beide richtingen kan
stromen.)
Inductieve verzending
De zender kan worden gebruikt in een inductieve modus
zonder
rechtstreekse aansluiting. Daarvoor moet de zender
vlak boven een gekend segment van de doelleiding worden
geplaatst en moet de “inductiemodus” van de zender worden
geactiveerd waardoor de leiding wordt bekrachtigd met de
geselecteerde frequentie.
OPMERKING:
Kijk in de handleiding bij de gebruikte zender
om na te gaan of hij correct is aangesloten en geaard en
ingesteld op de correcte frequentie.
Elk van deze methoden biedt voordelen, afhankelijk van de
situatie. Rechtstreekse aansluiting is gewoonlijk het meest
betrouwbaar aangezien het signaal rechtstreeks wordt
toegepast op een gekende leiding; er zijn echter situaties
waarin inductie de enige optie is of betere resultaten
oplevert.
Passieve leidingtracering
In passieve modus detecteert de NaviTrack® II wisselstroom-
velden, of AC-velden, gegenereerd door draden die reeds
stroom voeren, zonder dat er zender op moet worden
aangesloten. Ingegraven stroomleidingen genereren normaal
geen traceerbaar signaal tenzij er stroom door de kabels
vloeit. Bijvoorbeeld kabels van uitgeschakelde straatlampen
zijn moeilijk passief te traceren. Ten gevolge van koppeling
(hetzij door inductie hetzij door elektrische capaciteit) kunnen
allen metalen leidingen in een gebied passief bekrachtigd
zijn. Om die reden is het mogelijk de leidingen passief te
lokaliseren maar kan het moeilijk zijn te identificeren
welke
leiding nu precies wordt getraceerd door de plaatsbepaler.
WAARSCHUWING:
Bij passief lokaliseren of wanneer de
signalen uiterst zwak zijn, zal de gemeten diepte meestal te
DIEP zijn en kan de werkelijke diepte VEEL geringer zijn.
1. Selecteer een passieve AC-traceringsfrequentie met
het passieve leidingtraceerpictogram.
Figuur 25: 60 Hz passieve traceringsfrequentie
2. De NaviTrack® II heeft twee passieve AC-traceringsfreq
uentiewaarden. Het zijn 50 Hz en 60 Hz. Ze worden
geïdentificeerd door het stroompictogram. De 50 Hz
en 60 Hz reageren op een harmonische van algemeen
gebruikte AC-frequenties. Europese installaties zijn
meestal 50 Hz.
Bij passief traceren is het belangrijk eraan te denken dat T’s,
bochten, andere geleiders in de buurt en metalen massa’s in
de buurt een veld
kunnen
vervormen, waardoor de gegevens
zeer nauwkeurig moeten worden onderzocht om het tracé
van de betreffende leiding te bepalen.
Passieve tracering is meestal de minst doeltreffende optie.

NaviTrack® II
16
Bedieningstips voor leidingtracering
•
De NaviTrack® II kan vervormde velden snel identificeren.
Als de leidingen niet gecentreerd zijn op de kaart en het
nabijheidssignaal of de signaalsterkte maximaal zijn,
veroorzaakt vervorming een complex in plaats van een
cirkelvormige veld. Om de traceerkring te verbeteren:
a) Probeer het eens met een lagere frequentie.
b) Plaats de aardstaaf verder uit de buurt van de te
traceren leiding.
c) Zorg ervoor dat de leiding niet verbonden is met een
andere leiding. Maak gemeenschappelijke ver-
bindingen slechts los als dat veilig kan.
d) Verplaats de zender naar een ander punt op de
leiding en probeer de tracering in de tegenover-
gestelde richting uit te voeren (van B naar A in plaats
van van A naar B).
•
Als de lijnen maar niet centraal op het scherm willen gaan
staan of als ze onregelmatig over het scherm bewegen,
kan dat betekenen dat de NaviTrack® II geen zuiver signaal
ontvangt. Het is in deze omstandigheden ook mogelijk
dat de diepte en het nabijheidssignaal op en neer
bewegen.
a) Controleer de zender om na te gaan of hij correct
werkt en naar behoren werd geaard.
b) Test de kring door de onderste antenne naar een van
de draden van de zender te wijzen.
c) Ga na of de NaviTrack® II en de zender met dezelfde
frequentie werken.
d) Probeer verschillende frequenties, beginnend bij de
laagste, tot het signaal betrouwbaar kan worden
ontvangen.
e) Verplaats de aardaansluiting voor een betere kring.
Zorg ervoor dat er voldoende contact is (aardingspin
diep genoeg inslaan) vooral in droge bodems.
•
Tijdens het traceren moet het signaal het sterkst zijn en de
diepte het geringst op dezelfde plaats als waar de lijnen
centraal over het scherm lopen. Als dat niet het geval is,
kan dat wijzen op een bocht in de leiding of op de
aanwezigheid van gekoppelde signalen.
•
Hogere frequenties vloeien gemakkelijker uit maar kunnen
nodig zijn om over stroomstoringen in traceerdraden te
springen of om over isolatiekoppelstukken heen te gaan.
Als de leiding niet geaard is aan het verste uiteinde, zijn
hoge frequenties misschien de enige manier om de
leiding zichtbaar te maken (zie figuur 37).
•
Wanneer u de zender inductief gebruikt, dient u de
lokalisering op een afstand van ongeveer 10 m te
beginnen om een “directe koppeling” te voorkomen, ook
wel luchtkoppeling of “luchtslot” genoemd. Dat doet zich
voor wanneer de NaviTrack® II het signaal rechtstreeks van
de zender oppikt en niet van de te traceren leiding. Om te
testen op luchtkoppeling richt u de NaviTrack® II
rechtstreeks op de zender; als de signaalsterkte toeneemt,
is de zender te dicht bij de ontvanger om accuraat te
traceren.
•
Tijdens het traceren werkt de kaartweergave het best
onder de volgende voorwaarden:
1. De leiding is waterpas
2. De NaviTrack® II-plaatsbepaler bevindt zich boven
het niveau van de leiding
3. De NaviTrack® II-antennemast wordt ongeveer
verticaal gehouden.
Als die omstandigheden niet of niet allemaal kloppen, dient u
scherp te letten op de maximale nabijheidssignaal- en signaal-
sterkte.
In het algemeen geldt dat wanneer de NaviTrack® II wordt
gebruikt in een zone boven de doelleiding binnen een
aftastzone van ongeveer twee “diepten” van de leiding, de
kaart bruikbaar en accuraat zal zijn. Houd daar rekening mee
wanneer u de kaart gebruikt indien het doel of de leiding heel
ondiep zit. Het bruikbare zoekgebied op de kaart kan klein
zijn als de leiding uiterst ondiep zit.
Dieptemetingen
De NaviTrack® II meet diepte door de sterkte van het signaal
in de onderste antenne te vergelijken met de bovenste
antenne.
Diepte wordt correct gemeten in een onvervormd veld
wanneer de onderste antenne precies boven de signaalbron
de grond raakt.
1. Om de diepte te meten zet u de plaatsbepaler op de
grond, precies boven de sonde of de leiding.
2. De diepte wordt weergegeven in de linker-
benedenhoek. Een dieptemeting kan worden gefor-
ceerd door op de selectietoets te drukken.
Clipping
Soms zal het signaal zo sterk zijn dat de ontvanger niet in
staat is het volledige signaal te verwerken, een toestand die
wordt aangeduid met de term “clipping”. Wanneer dat het
geval is, verschijnt het waarschuwingssymbool op het scherm.
Dit betekent dat het signaal bijzonder sterk is. Als het clippen
aanhoudt, kan dat worden verholpen door de sterkte van de
stroom van de zender te verminderen.
OPMERKING:
Wanneer u in de leidingtraceringsmodus op de
selectietoets drukt wordt er een dieptemeting geforceerd en
wordt de hoekindicator gedwongen gewijzigd in stroom. Als
het geluid ingeschakeld is, zal ook de audiotoon opnieuw
worden gecentreerd.

NaviTrack® II
17
Menu’s en instellingen
Wanneer de Menu-toets wordt ingedrukt, verschijnt er een
reeks keuzen waarmee iedere operator de NaviTrack® II
volgens zijn voorkeuren kan configureren.
Wijzigen van de diepte-eenheid
De NaviTrack® II kan diepte in voet of in meter weergeven. Om
van eenheid te veranderen, highlight u de optie Eenheden in
het menu en drukt u op de selectietoets om om te schakelen
tussen voet en meter.
Figuur 26: Eenheden selecteren (voet/meter)
Automatische achtergrondverlichting
Een in de linkerbovenhoek van het toetsenbord ingebouwde
detector detecteert geringe lichtniveaus. De achtergrond-
verlichting kan ook geforceerd worden door die sensor af te
dekken.
De automatische LCD-achtergrondverlichting wordt in de
fabriek zo ingesteld dat ze pas wordt ingeschakeld in vrij don-
kere omstandigheden. Dat is om de batterijen te sparen. Naar-
mate de batterijen afgaan, wordt de achtergrondverlichting
zwakker. Wanneer de batterijen bijna leeg zijn, werkt de
achtergrondverlichting zeer zwak om de batterijen te sparen.
Om de achtergrondverlichting zo in te stellen dat ze altijd uit
is, selecteert u het gloeilamppictogram in het menu Tools en
drukt u op de selectietoets om om te schakelen tussen Auto,
altijd ON en altijd OFF.
Figure 27 : Instellen van de achtergrondverlichtingsmodus
(Aan/Uit/Auto)
LCD-contrast
Wanneer dit wordt geselecteerd met de selectietoets kan het
contrast worden geregeld. Gebruik de pijltjestoetsen omhoog
en omlaag om het scherm lichter of donkerder te maken.
Figuur 28: Contrastinstellingsoptie
Figuur 29: Contrast vermeerderen/verminderen

NaviTrack® II
18
Schermelementenmenu
Wanneer u het pictogram “twee schermpjes” selecteert, wordt
het Schermselectiemenu weergegeven voor hetzij de tra-
ceermodus
hetzij de sondemodus
. In dit menu kunt u
schermelementen in- en uitschakelen. De NaviTrack® II wordt
geleverd met bepaalde elementen uitgeschakeld ter wille van
de eenvoud. Om een element in of uit te schakelen, drukt u
op pijltje omhoog of omlaag om het element te
highlighten
.
Druk vervolgens op de
selectietoets
om het vakje ernaast
aan
of af te vinken
. Aangevinkte schermelementen worden inge-
schakeld voor de geselecteerde modus.
Figuur 30: Schermelementen (sondemode)
Optionele functies
Geavanceerde functies van de NaviTrack® II kunnen worden
ingeschakeld met behulp van de Menu-toets om de menu-
boomstructuur op te roepen. Selecteer de het menu
Schermelementen (voor schermelementen – beschreven op
pagina 18) of het menu Frequentieselectie (om andere
frequenties te activeren – beschreven op pagina 8).
Optionele functies
zijn onder meer:
Figuur 31: circuit met waterpeilmarkering en aanwijzer
•
Waterpeilmarkering
Het waterpeilmarkering is een markering die in de buitenste
ring van het scherm verschijnt. Het is een grafische
voorstelling van de hoogst bereikte signaalsterkte. Ze wordt
“achtervolgd” door een massieve aanwijzer die de heersende
signaalsterkte aangeeft.
Als de signaalsterkteaanwijzer hoger gaat dan de waterpeil-
markering, gaat de waterpeilmarkering eveneens omhoog
om het nieuwe hoogste niveau grafisch weer te geven. Hij is
standaard uitgeschakeld maar kan worden ingeschakeld in
het selectiemenu Schermelementen.
Figuur 32: “Geen signaal”-weergave
•
“Geen signaal”-pictogram
Wanneer de NaviTrack® II geen bruikbaar signaal ontvangt op
de geselecteerde frequentie toont hij het modusteken met
een streep erdoor, om aan te geven dat er geen signaal wordt
gedetecteerd. Dat reduceert de verwarring die kan ontstaan
bij het interpreteren van de willekeurige ruis die sommige
plaatsbepalers weergeven bij gebrek aan een signaal.
Figuur 33: signaalsterkte gecentreerd
•
De optie Signaalsterkte centreren
Wanneer deze optie wordt ingeschakeld in het menuselectie-
scherm wordt het getal dat de signaalsterkte voorstelt ge-
dwongen weergegeven in het midden van het schermgebied
telkens wanneer er geen nabijheidssignaal beschikbaar is
. Dat
kan zich voordoen wanneer het signaal zwak is. Wanneer er
een nabijheidssignaal beschikbaar wordt, keert het
signaalsterktegetal terug naar de rechter benedenhoek van
het scherm waar het zich normaal bevindt. (Uitsluitend in
leidingtraceermodus.)

NaviTrack® II
19
•
Informatiescherm
Het informatiescherm verschijnt onderaan de lijst menu-
opties. Wanneer de selectieknop wordt ingedrukt, verschijnt
er informatie over de plaatsbepaler, zoals de softwareversie,
het serienummer van de ontvanger en de kalibreringsdatum.
Wanneer u een tweede keer op de selectietoets drukt
wordt de optie “fabrieksinstellingen herstellen” weer-
gegeven.
•
Fabrieksinstellingen herstellen
Deze optie wordt ingeschakeld door het aangevinkte vakje te
selecteren (√). Als de “X”-optie wordt gekozen, worden de
heersende instellingen niet gewijzigd.
Figuur 34: Standaardinstellingen hersteld
(leidingtraceermodus)
Wanneer u op de Menu-toets drukt zonder een van beide vak-
jes te wijzigen, verlaat u de optie en blijft alles ongewijzigd.
•
Geluiddemping > 99’
Deze optie zorgt voor het automatisch dempen van het
geluid wanneer de diepte meer dan 99 voet bedraagt.
Wanneer ze niet wordt aangevinkt, zal het geluid niet
automatisch worden gedempt.
Menuboomstructuur
De volgende afbeelding toont structuur en de verschillende
opties van de NaviTrack® II-menu’s. Wanneer u de menutoets
indrukt in het actieve scherm, gaat u naar de top van de
menuboomstructuur. Overloop de opties met de pijltjes-
toetsen. Wanneer u op de selectietoets drukt wanneer een
optie werd gehighlight, wordt het betreffende submenu op-
geroepen. Wanneer u de menutoets indrukt in een submenu
gaat u een niveau naar boven. Vakjes wordt aan- of afgevinkt
door op de selectietoets te drukken.
Geactiveerde frequenties
Sonde
Leidingtracering
Stroom (passieve tracering)
Maateenheden
Voet/Meter
Achtergrondverlichtingsopties
Aan/Uit/Auto
LCD-contrast
Vermeerderen/Verminderen
Schermelementenselectie
(aan- of afvinken)
Traceermodus
Sondemodus
Waterpeilmarkering
“Geen-signaal”-indicator
Geluidssignalen
Signaalsterkte centreren*
Signaalsterkte
Hoekindicator
Dempen > 99’
Leidingen traceren*
*=alleen leidingtraceerscherm
Frequentieselectie
(aan- of afvinken)
Sonde
16 Hz, 512 Hz, 640 Hz, 850 Hz, 8 kHz
16 kHz, 33 kHz
Leidingtracering
128 Hz, 1 kHz, 8 kHz, 33 kHz,
200 kHz, 262 kHz
Vermogen
50 Hz, 60 Hz
Informatiemenu
Standaardinstellingen herstellen
(aanvinken Ja/Nee)

NaviTrack® II
20
Appendix: Een betere manier om te
lokaliseren
De NaviTrack® II is een professionele plaatsbepaler voor het
traceren van ondergrondse leidingen, buizen en kabels en het
lokaliseren van sondes. De NaviTrack® II gebruikt alzijdig
gerichte antennes en geavanceerde gegevensverwerking om
het lokaliseren van sondes en het traceren van ondergrondse
leidingen snel, accuraat en gemakkelijk uit te voeren. Hij heeft
een aantal functies die de kunst van het lokaliseren aanzienlijk
bevorderen.
De NaviTrack® II verschaft de operator een beeld van de
situatie rondom terwijl hij de ontvanger door het doelgebied
beweegt en hij maakt het gemakkelijker te begrijpen waar het
elektromagnetische veld van een doelleiding zich precies
bevindt. Hij schetst de precieze situatie van de te lokaliseren
sonde of leiding. Aan de hand van complete informatie krijgt
de operator inzicht in de situatie onder de grond, zodat hij
complexe situaties kan oplossen, inaccurate markeringen kan
vermijden en de juiste leiding of kabel sneller kan vinden.
Wat de NaviTrack® II doet
De NaviTrack® II wordt gebruikt boven de grond voor het
detecteren en traceren van elektromagnetische velden die
worden gegenereerd door ondergrondse of verborgen
leidingen (elektrische geleiders zoals metalen draden of
buizen) of sondes (actief uitzendende bakens).
Wanneer de velden onvervormd zijn, geeft de informatie van
de gedetecteerde velden een accuraat beeld van het onder-
grondse object. Wanneer de situatie wordt gecompliceerd
door de interferentie van meer dan één leiding of door andere
factoren, verschaft de NaviTrack® II een scherm vol informatie
met verscheidene metingen van het gedetecteerde veld. Deze
gegevens kunnen het gemakkelijker maken te begrijpen waar
het probleem zich situeert, door aan te geven of een lokalise-
ring juist of fout, twijfelachtig of betrouwbaar is. In plaats van
gewoon verf aan te brengen op de verkeerde plaats, kan een
plaatsbepaler duidelijk zien wanneer een moeilijke plaatsbe-
paling opnieuw moet worden geëvalueerd.
De NaviTrack® II verschaft meer van de kritieke informatie die
een plaatsbepaler nodig heeft om de situatie van een te
lokaliseren leiding te begrijpen.
Wat hij niet doet
De NaviTrack® II lokaliseert door het detecteren van elektro-
magnetische velden rondom geleidende objecten; hij
detecteert de ondergrondse objecten dus niet rechtstreeks.
Hij verschaft meer informatie over de vorm, de richting en de
oriëntatie van velden dan andere plaatsbepalers, maar hij kan
die informatie niet op magische wijze interpreteren of een
waar röntgenbeeld verschaffen van de ondergrond.
Een vervormd, complex veld in een omgeving met veel ruis
vereist heel wat menselijk denkvermogen om correct te
analyseren. De NaviTrack® II kan de resultaten van een
moeilijke lokalisering niet wijzigen, ook al toont hij al de
informatie over die resultaten. Door gebruik te maken van
wat de NaviTrack® II toont, kan een goede operator de
lokaliseringsresultaten verbeteren door “de kring beter te
maken”, de frequentie of de aarding te wijzigen, of door de
plaats van het instrument boven de doelleiding te wijzigen.
Zo is de kans groter dat de plaatsbepaler het van de eerste
keer goed heeft.
Voordelen van de alzijdig gerichte
antenne
In tegenstelling tot de enkelvoudige windingen die worden
gebruikt in vele eenvoudige plaatsbepalingsinstrumenten,
detecteert de alzijdig gerichte antenne velden op drie
verschillende assen, en kan ze die signalen combineren tot
een “beeld” van de klaarblijkelijke sterkte, oriëntatie en
richting van een veld. Alzijdig gerichte antennes bieden
duidelijke voordelen:
De kaartweergave
De kaartweergave die wordt mogelijk gemaakt door alzijdig
gerichte antennes verschaft een grafische weergave van de
kenmerken van een signaal en een vogelperspectief op het
ondergrondse signaal. Ze wordt gebruikt als gids voor het
opsporen van ondergrondse leidingen en kan worden
gebruikt voor het zoeken van sondes. Ze kan ook worden
gebruikt om meer informatie te krijgen over complexe
plaatsbepalingen.
Dankzij het gebruik van lijnen (die de signalen voorstellen die
worden gedetecteerd door de onderste en bovenste antenne)
kan de plaatsbepaler grafisch zien waar hij zich bevindt en
waar de doelleiding of sonde zich bevindt. Terzelfder tijd ver-
schaft het scherm al de informatie die nodig is om te begrij-
pen wat er gebeurt met het te lokaliseren veld: signaalsterkte,
continue afstand, hoek, nabijheid tot het doel. De informatie
die gelijktijdig wordt verschaft door de NaviTrack® II zou met
bepaalde conventionele plaatsbepalers meerdere proef-
lezingen vergen. Een vervormd of samengesteld veld is
gemakkelijker te interpreteren wanneer al de informatie zich
op één enkel scherm bevindt, zoals bij de NaviTrack® II.

NaviTrack® II
21
Oriëntatie tot het signaal
Op grond van de vele signalen die door elke alzijdig gerichte
antenne worden verwerkt, wordt het signaal van het doel
altijd sterker naarmate de ontvanger dichter bij het doel komt.
De manier waarop het instrument wordt vastgehouden heeft
geen invloed op de signaalsterkte. De gebruiker kan het doel
benaderen vanuit om het even welke richting en hoeft de
ligging van de buis of kabel niet te kennen.
Lokaliseren van sondes
Wanneer hij met een sonde wordt gebruikt, elimineert de
NaviTrack® II nulsignalen en ”valse pieken”. Het signaal van
conventionele plaatsbepalers vertoont vaak een toename
gevolgd door een nulsignaal (beter beschreven als geen
signaalregistratie op de antenne) en vervolgens een piek. Dat
kan de operator in de war brengen, vooral als hij een kleinere
piek interpreteert als het doel.
Figuur 35: het signaal van een sonde zoals het wordt
“gezien” door een conventionele plaatsbepaler
De hoofdpiek is het centrum, en de twee valse
pieken bevinden zich buiten de twee nulsignalen.
De NaviTrack® II gebruikt slechts één piek om de gebruiker
naar het doel te leiden. Het zoeken van een sonde op basis
van signaalsterkte is een zeer direct proces.
Figuur 36: signaal zoals de NaviTrack® II het “ziet”
Het kan alleen maar “omhoog” gaan naar het
maximumsignaal.
Nabijheidssignaal
Het nabijheidssignaal van de NaviTrack® II is een nieuw
gegeven, dat het gemakkelijker maakt de plaatsbepaler te
richten op de doelleiding. Het vertelt de operator hoe ver het
instrument van het doel verwijderd is. Het gebruik van het
nabijheidssignaal bij een lokalisering levert een beter
gedefinieerde piek op dan wanneer men alleen gebruik maakt
van de signaalsterkte.
Het nabijheidssignaal is het resultaat van een vergelijking van
de informatie die wordt geregistreerd door de twee alzijdige
gerichte antennes (de bovenste en de onderste) van de
NaviTrack® II. De NaviTrack® II verschaft een ogenblikkelijk,
geïntegreerd beeld van de veldomstandigheden op ieder
ogenblik en in ieder punt langsheen het tracé van de leiding.
“Informatielokalisering”
Dankzij de geavanceerde verwerkings- en schermfuncties van
de NaviTrack® II maakt de door het instrument verschafte
informatie het duidelijk wanneer een lokalisering betrouwbaar
is en wanneer ze twijfelachtig is.
Een goede plaatsbepaler kan de ondergrondse situatie veel
gemakkelijker begrijpen op basis van de gecombineerde infor-
matie verschaft door:
•
het nabijheidssignaal/de signaalsterkte
•
de signaaltraceerlijnen van elke antenne
•
de continue diepte-indicaties
Deze indicatoren tonen wat de antennes “voelen” terwijl ze
door het veld worden bewogen. Dit signaleert wanneer een
veld wordt vervormd door interferentie van andere leidingen
of objecten in de buurt, omdat de indicatoren elkaar
tegenspreken in geval van vervorming. Wanneer hij weet dat
er vervorming in het spel is, kan de operator daar iets aan
proberen te doen of er tenminste rekening mee te houden.
(Bijvoorbeeld, de dieptemeting in vervormde velden wordt
twijfelachtig.)
Anderzijds kan men dankzij die grote hoeveelheid informatie
ook de bevestiging krijgen dat een plaatsbepaling correct is.
Als alle indicatoren met elkaar overeenstemmen en redelijk
lijken, is de graad van vertrouwen in een lokalisering veel
hoger.
Valse pieken
Nulsignalen
Piek
Piek

NaviTrack® II
22
De NaviTrack® II tot het uiterste
benutten
De basisfuncties van de NaviTrack® II zijn vlug geleerd. Maar
het instrument heeft ook een aantal geavanceerde functies
die het lokaliseren in moeilijke omstandigheden veel
gemakkelijker maken als de operator ze weet te interpreteren.
Meer informatie over lokaliseren
Normaal is een veld rondom een lange geleider zoals een buis
of kabel cirkelvormig. Wanneer de plaatsbepaler zich midden
boven een cirkelvormig veld bevindt, mag men de volgende
indicatoren verwachten:
•
Maximumsignaalsterkte
•
Maximumnabijheidssignaal (leidingtraceermodus)
•
Gecentreerde traceerlijnen
•
Redelijke en coherente dieptemeting
•
Toonhoogte en -volume stijgen tot ze hun maximum
bereiken boven de leiding.
De ervaren operator leert de ondergrondse situatie te “zien”
omdat hij weet hoe de verschillende door de NaviTrack® II ver-
strekte gegevens zich tot elkaar verhouden. Terwijl een een-
voudige ongecompliceerde lokalisering van een cirkelvormig
veld snel en gemakkelijk is, kan het traceren van een leiding
die zich in de buurt van andere grote geleiders bevindt, zoals
stroomleidingen, telefoonleidingen, gasleidingen of zelfs
begraven metaalafval, vragen doen rijzen die uitsluitend cor-
rect kunnen worden beantwoord door rekening te houden
met al de beschikbare informatie.
Door de signaalsterkte, de hoek, het nabijheidssignaal, de sig-
naaltraceerlijnen en de diepte met elkaar te vergelijken kan
een operator zien op welke manier het veld wordt gestoord.
Een vergelijking van de veldinformatie met een gefundeerde
situatieschets van de ondergrond, rekening houdend met de
plaats van transformators, meters, aansluitdozen, in-
spectieputten en andere indicatoren, kan de operator helpen
de oorzaak van de veldstoring beter te begrijpen. Vooral in
complexe situaties is het belangrijk te beseffen dat de enige
absoluut zekere manier om een leiding te lokaliseren erin be-
staat ze fysisch bloot te leggen.
Samengestelde of complexe velden genereren verschillende
indicaties op de NaviTrack® II, die aangeven wat er precies aan
de hand is.
•
De traceerlijnen stemmen niet met elkaar overeen
•
Incoherente of onrealistische dieptemeting
•
Schommelende willekeurige indicaties (ook veroor-
zaakt door een zeer zwak signaal)
•
Incoherent nabijheidssignaal (leidingtraceermodus)
•
Signaalsterktemaximalisering uit langs één kant van
de geleider
Opmerkingen over accuraatheid
Diepte-, nabijheids- en signaalsterktemetingen vereisen dat
de NaviTrack® II een sterk signaal ontvangt. Zoals u reeds weet
wordt de NaviTrack® II gebruikt boven de grond voor het
detecteren van elektromagnetische velden die worden
gegenereerd door ondergrondse leidingen (elektrische
geleiders zoals metalen draden of buizen) of sondes (actief
uitzendende bakens). Wanneer de velden eenvoudig en
ongestoord zijn, is de informatie van de gedetecteerde velden
representatief voor het ondergronds object.
Als die velden gestoord zijn en er meerdere elkaar
beïnvloedende velden voorkomen, zal dat ervoor zorgen dat
de NaviTrack® II onnauwkeurig werkt. Plaatsbepaling is geen
exacte wetenschap. Het vereist dat de operator zijn
beoordelingsvermogen aanspreekt en zoekt naar zoveel
mogelijk extra informatie naast de aflezingen op het
instrument. De NaviTrack® II verschaft de gebruiker meer
informatie maar het is aan de operator om die informatie
correct te interpreteren. Geen enkele fabrikant van
plaatsbepalingssystemen zal beweren dat een operator uit-
sluitend mag vertrouwen op de informatie van zijn
instrument. Een verstandige operator behandelt de informatie
die hij krijgt als een gedeeltelijke oplossing voor het
lokaliseringsprobleem en combineert ze met zijn kennis van
de omgeving, zijn kennis omtrent ondergrondse leidingen in
het algemeen, visuele observatie en zijn kennis van het
instrument om tot een geïnformeerde conclusie te komen.
Onder bepaalde omstandigheden mag men er
niet
van
uitgaan dat de lokalisering accuraat is:
•
Wanneer er andere leidingen in de buurt zijn.
“Over-
vloeiing” veroorzaakt gestoorde velden en bekrachtigt
andere leidingen dan de doelleiding. Gebruik indien mo-
gelijk lagere frequenties en elimineer alle verbindingen
tussen de twee leidingen.
Figuur 37: overvloeiing

NaviTrack® II
23
•
Wanneer de leiding T-stukken of vertakkingen bevat.
Wanneer u een duidelijk signaal volgt dat plots
dubbelzinnig wordt, probeert u best te zoeken in een
cirkel van ongeveer 5-6 m rondom het laatst gekende
punt om na te gaan of het signaal opnieuw duidelijk
wordt. Dat kan een vertakking, een verbinding of een
andere verandering in de leiding blootleggen. Wees
waakzaam voor “splitsingsmogelijkheden” of plotse
richtingsveranderingen in de te traceren leiding.
•
Wanneer de signaalsterkte te gering is.
Een sterk sig-
naal is noodzakelijk voor een nauwkeurige plaatsbepaling.
Een zwak signaal kan worden verbeterd door de aarding
van de kring, de frequentie of de zenderaansluiting te wij-
zigen. De verstandige plaatsbepaler weet dat isolatie een
beter signaal oplevert. Versleten of beschadigde isolatie,
blote concentrische kabels en aan aarde blootgestelde
ijzeren buizen compromitteren de signaalsterkte door
aardlekken.
•
Het aarden van het verste uiteinde
zal de signaalsterkte
aanzienlijk veranderen. Wanneer het niet mogelijk is het
verste uiteinde te aarden, verschaft een hogere frequentie
een sterker signaal. Het verbeteren van de aarding van de
lokaliseringskring is een van de voornaamste remedies
voor een zwak signaal.
•
Wanneer de bodemomstandigheden variëren.
Ex-
tremen inzake vocht of droogte kunnen de metingen
beïnvloeden. Bijvoorbeeld, aarde die verzadigd is met
zoutwater zal het signaal ernstig afschermen en het lokali-
seren bijzonder moeilijk maken, vooral bij hoge frequen-
ties. Maar het toevoegen van water aan een zeer droge
aarde rondom een aardingspin kan het signaal aanzienlijk
verbeteren.
•
In de aanwezigheid van grote metalen voorwerpen.
Gewoon voorbij een geparkeerde wagen lopen tijdens
een tracering kan een onverwachte tijdelijke signaalsterk-
teverhoging veroorzaken. Dit effect is sterker bij hoge
frequenties, die zich vlugger “vastkoppelen” aan andere
voorwerpen.
Een ontvanger kan de onderliggende voorwaarden van een
moeilijke lokalisering niet veranderen, maar het wijzigen van
de frequentie, de aarding of de zenderlocatie, of het isoleren
van de doelleiding van een raakvlak kan de resultaten
verbeteren, door een betere aardaansluiting te maken,
signaalsplitsingen te voorkomen en vervorming te reduceren.
Andere ontvangers zullen aangeven dat ze zich misschien
boven de leiding bevinden, maar zijn minder in staat iets te
vertellen over de
kwaliteit
van de lokalisering.
De NaviTrack® II verschaft
meer informatie.
Als alle indicatoren
overeenkomen en met elkaar stroken, kunnen er met meer
vertrouwen markeringen worden aangebracht. Als het veld
vervormd is, is dat meteen duidelijk. Dat stelt de operator in
staat iets te doen om de doelleiding te isoleren, de aarding,
het aansluitingspunt of de frequentie te wijzigen, of de zender
te verplaatsen om te komen tot een betere ontvangst met
minder vervorming. Voor nog meer zekerheid kunt u de
situatie fysisch controleren, bijvoorbeeld door hier en daar
gaten te graven.
Bij de eindanalyse
is de operator het “belangrijkste
onderdeel” van de lokaliseringstaak. De NaviTrack® II verschaft
de plaatsbepaler een ongeëvenaarde hoeveelheid informatie
waarmee hij snel tot een accurate conclusie kan komen.
Onderhoud van de NaviTrack® II
Transport en bewaring
Schakel het toestel uit alvorens het te transporteren om de
batterijen te sparen.
Berg het instrument voor transport veilig op zodat het niet
kan rondstuiteren of worden geraakt door andere losse
voorwerpen.
De NaviTrack® II moet worden bewaard op een droge en koele
plaats.
OPMERKING:
Wanneer de NaviTrack® II voor langere tijd
wordt opgeborgen, moeten de batterijen er uit worden
verwijderd. Verwijder de batterijen uit de NaviTrack® II
wanneer u hem gaat verzenden.
Installeren/gebruiken van toebehoren
De NaviTrack® II wordt ook geleverd met markeringen om
polen of sondes boven de grond te markeren. Er zijn twee (2)
rode markeringen voor de polen en één (1) gele markering
voor de sonde. De markeringen kunnen ook worden gebruikt
om tijdelijk punten te markeren om naar terug te keren
tijdens het verkennen van een doelgebied of het traceren van
een leiding.
Voor meer ondersteuning kunt u terecht bij uw verdeler of
onderhoudsdienst of rechtstreeks bij Ridge Tool Europe
(++ 32/16.380.211). Reserveonderdelen kunt u bestellen bij
uw RIDGID-dealer.

NaviTrack® II
24
Onderhoud en reiniging
WAARSCHUWING
1. Reinig de NaviTrack® II regelmatig met een vochtige
doek en wat milde detergent. Dompel hem nooit
onder in water.
2. Gebruik nooit schuursponsjes of schuurmiddelen aan-
gezien die het display permanent kunnen
beschadigen. GEBRUIK NOOIT OPLOSMIDDELEN voor
het reinigen van om het even welk onderdeel van het
instrument. Stoffen als aceton of andere agressieve
chemicaliën kunnen de behuizing doen barsten.
Lokaliseren van defecte onderdelen
Kijk voor het oplossen van storingen in het hoofdstuk
“Oplossen van problemen” op pagina 26. Neem indien nodig
contact op met uw verdeler of met uw Ridge Tool-
onderhoudsdienst.
Onderhoud en reparatie
WAARSCHUWING
Het instrument moet naar een erkende RIDGID-onderhouds-
dienst worden gebracht of worden teruggezonden naar de
fabriek. Voor alle herstellingen uitgevoerd door Ridge-onder-
houdsdiensten wordt een garantie gegeven op materiaal-
gebreken en uitvoeringsfouten.

NaviTrack® II
25
Pictogrammen en symbolen
Figuur 38: Pictogrammen en symbolen
TOETSENBORDPICTOGRAMMEN
Menunavigatie
Menuselectie
Sondemodus: Geforceerde dieptemeting/Audio opnieuw centreren
Leidingtraceringsmodus: geforceerde dieptemeting, geforceerde stroom, audio
opnieuw centreren, Signaalsterktenabijheidsinstelling; Kaart Aan forceren
Menunavigatie
Aan/uit-toets
Menutoets
Frequentietoets
Geluidtoets
SCHERMPICTOGRAMMEN (vervolg)
Audioniveau
Batterijniveau
Waarschuwing voor bijna lege batterijen
(knippert)
Sterkte van het analoge signaal
Maximale sterkte van het analoge signaal
Geen sonde aanwezig
Geen tracering aanwezig
Signaal van bovenste antenne
Signaal van onderste antenne
Signaalafkapping (“clipping”)
SCHERMPICTOGRAMMEN
Sondefrequentie
Actieve-traceringsfrequentie
Nabijheid
Signaalsterkte
Afstand (diepte)
2D horizontale-hoekindicator
Horizontale-hoekindicator
Poolpictogram
Sonde 0-lijn
MENUPICTOGRAMMEN
Fabrieksinstellingen
herstellen
Menuaankruisvakje
Tools-menu
Instellingen
achtergrondverlichting
Schermcontrast regelen
Scherminstelling
Menu-instelling
Informatiescherm
Menu-timeout-teller
Een niveau naar boven
(druk op menutoets)

NaviTrack® II
26
Oplossen van problemen
PROBLEEM
WAARSCHIJNLIJKE FOUTLOCATIE
NaviTrack® II blokkeert
tijdens het gebruik.
Schakel het instrument uit, en vervolgens weer in. Verwijder de batterijen uit het instrument als u
het niet kunt uitschakelen. Vervang de batterijen als ze bijna leeg zijn.
Bij het traceren
“springen” er lijnen over
het hele scherm in de
kaartweergave.
Dat geeft aan dat de NaviTrack® II het signaal niet ontvangt of dat er sprake is van interferentie.
Ga na of de zender goed aangesloten en geaard is. Wijs de NaviTrack® II in de richting van een van
de draden om na te gaan of er een volledige kring is.
Probeer een hogere frequentie of een aansluiting op een ander punt in de leiding, of schakel om
naar de inductiemodus.
Tracht de bron van eventuele ruis te bepalen en elimineer ze. (gebonden aarding, enz.)
Bij het opsporen van een
sonde “springen” er
lijnen over het hele
scherm.
Controleer de batterijen van de sonde.
Misschien is de sonde te ver verwijderd; probeer ze dichterbij te brengen of zoek het gebied af.
Controleer het signaal door de onderste antenne vlak bij de sonde te houden.
OPMERKING
– Sondes kunnen moeilijk signalen verzenden doorheen gietijzeren en smeedijzeren
leidingen.
De afstand tussen de
sonde en de beide polen
is niet gelijk.
De sonde kan gekanteld zijn of er kan een overgang zijn van gietijzer naar plastic.
Het instrument gedraagt
zich onregelmatig, en
kan niet worden
uitgeschakeld.
Misschien zijn de batterijen bijna leeg. Vervang ze door nieuwe batterijen en schakel het
instrument weer in.
Het display is volledig
donker of volledig
verlicht bij het
inschakelen.
Schakel het instrument uit, en vervolgens weer in.
Regel het LCD-contrast.
Er is geen geluid.
Regel het geluidsniveau in het geluidsmenu.
De NaviTrack® II
ontvangt het signaal
niet.
Ga na of de correcte modus en frequentie werden ingesteld. Ga hoe de kring zou kunnen worden
verbeterd. Verplaats de zender, wijzig de aarding, frequentie, enz.
De NaviTrack® II kan niet
worden ingeschakeld.
Controleer of de batterijen correct werden geïnstalleerd.
Ga na of de batterijen niet leeg zijn.
Ga na of de batterijcontacten OK zijn.
Misschien is een zekering in het apparaat doorgesmolten. (Fabrieksreparatie vereist.)

NaviTrack® II
27
Specificaties
Gewicht met batterijen .......... 2,4 kg
Afmetingen
Lengte ................................... 38,0 cm
Breedte .................................. 18,2 cm
Hoogte .................................. 79,0 cm
Voeding
4 C-batterijen, 1,5 V alkali (ANSI/NEDA 14A, IEC LR14) of
herlaadbare 1,2 V NiMH- of NiCad-batterijen
Nominaal vermogen: 6 V, 550 mA
Signaalsterkte
Niet-lineair in functie. 2000 is 10x hoger dan 1000, 3000 is
10x hoger dan 2000, enz.
Bedrijfsomgeving
Temperatuur ........................ -20°C tot 50°C (-4°F à 122°F)
Luchtvochtigheid ............... 5% tot 95% RLV
Opslagtemperatuur ................. -20°C tot 60°C (-4°F à 140°F)
Standaardinstellingen
Diepte-eenheden = voet & inches
Volume = 1 (een waarde boven gedempt)
Achtergrondverlichting = Auto
60 Hz (stroom) standaardmodus
Standaarduitrusting
•
NaviTrack® II-plaatsbepaler
•
Markeringen en masthouder
•
Handleiding
•
4 C-celbatterijen (Alkali)
•
Opleidingsvideo (DVD)
Optionele apparatuur
•
Extra pool/sondemarkeringen
•
ST-301-zender
•
ST-501-zender
•
Inductieklem (12 cm)
•
Batterijsonde
•
Vlottersonde
Frequenties
Standaardfrequenties:
Sonde
........................................... 512 Hz
Actieve leidingtracering
..... 128 Hz, 1 kHz, 8 kHz,
33 kHz
Stroomleidingtracering
...... 60 Hz (9th)
Optionele frequenties:
Sonde
........................................... 16 Hz, 640 Hz, 850 Hz
8 kHz, 16 kHz, 33 kHz
Leidingtracering
..................... 200 kHz, 262 kHz
Stroom
........................................ 50 Hz

RIDGE TOOL COMPANY
NaviTrack® II
Manuale
dell’operatore
AVVERTENZA!
Leggere con attenzione
questo manuale dell’ope-
ratore prima di utilizzare lo
strumento. Comprendere
e attenersi al contenuto di
questo manuale, in caso
contrario ne può derivare
una scossa elettrica, l’in-
cendio e/o gravi lesioni
personali.
NaviTrack® II
Localizzatore di tubi, cavi e sonde

NaviTrack® II
1
Informazioni generali
antinfortunistiche
AVVERTENZA!
Leggere con atten-
zione queste istruzioni e l’opuscolo
antinfortunisticho allegato prima
di utilizzare queste attrezzature. In
caso di incertezza su qualsiasi aspetto dell’uso
di questo strumento, contattare il proprio
distributore RIDGID per ulteriori informazioni.
Comprendere e attenersi a tutte le istruzioni,
in caso contrario ne può derivare una scossa
elettrica, l’incendio e/o gravi lesioni personali.
CONSERVARE IL PRESENTE MANUALE DI
ISTRUZIONI!
•
Non sondare linee ad alta tensione
.
Precauzioni relative alla batteria
•
Utilizzare solo una batteria delle dimensioni e del tipo
specificato. Non associare tipi diversi di batterie (ad
esempio, non utilizzare le alcaline con le ricaricabili).
Non utilizzare contemporaneamente batterie cariche e
batterie usate (ad esempio, vecchie e nuove).
•
Ricaricare le batterie con le unità di ricarica specificate
dal produttore della batteria.
L’uso di un’unità di ricarica
sbagliata può surriscaldare e rompere la batteria.
•
Eliminare correttamente le batterie.
L’esposizione
a temperature elevate può causare l’esplosione della
batteria; pertanto non gettare la batteria nel fuoco. Per
l’eliminazione delle batterie, rispettare la normativa in
vigore nel proprio paese. Seguire le norme riguardanti lo
smaltimento dei rifiuti.
Sicurezza personale
•
Utilizzare gli accessori appropriati.
Non appoggiare
questo prodotto su un carrello o una superficie instabile.
Il prodotto può cadere provocando una grave lesione a un
bambino o a un adulto o il grave danneggiamento dello
stesso.
•
Evitare l’ingresso di oggetti e di liquido.
Non versare
mai liquidi di qualsiasi tipo sul prodotto. Il liquido aumenta
il rischio di scossa elettrica e di danneggiamento del
prodotto.
•
Evitare il traffico. Prestare grande attenzione ai
veicoli in movimento durante l’uso sopra o vicino
alle carreggiate. Indossare abbigliamento visibile o
giubbotti retroriflettenti.
Tali precauzioni possono evitare
gravi lesioni.
NaviTrack® II Utilizzo e cura
•
Usare l’attrezzatura solo come indicato.
Per azionare
il NaviTrack® II occorre aver letto il manuale del istruzioni
e seguito un corso di addestramento di sul suo uso.
•
Non immergere in acqua le antenne. Conservare in
un posto asciutto.
Questo ridurrà il rischio di scossa
elettrica e di danneggiamento dello strumento.
•
Conservare le attrezzature non utilizzate fuori dalla
portata di bambini e altre persone non addestrate.
Le attrezzature sono pericolose nelle mani di utenti non
addestrati.
•
Eseguire una manutenzione accurata dello stru-
mento.
Degli strumenti diagnostici mantenuti corretta-
mente offriranno meno probabilità di provocare delle
lesioni.

NaviTrack® II
2
•
Assistenza
•
L’assistenza dello strumento diagnostico deve essere
eseguita solo da personale di riparazione qualificato.
Qualsiasi intervento di assistenza o manutenzione eseguito
da personale non qualificato, potrebbe essere causa di
lesioni personali.
•
Nell’eseguire la manutenzione di uno strumento
diagnostico, utilizzare unicamente pezzi sostitutivi
identici.
Seguire le istruzioni riportate nella sezione di
manutenzione di questo manuale. Se verranno usate
parti non autorizzate o non si seguiranno le istruzioni di
manutenzione, si potrà creare un rischio di scossa elettrica
o di lesioni.
•
Eseguire un controllo di sicurezza.
Al completamento di
qualsiasi manutenzione o riparazione di questo prodotto,
chiedere al tecnico di assistenza di eseguire dei controlli
di sicurezza per determinare che il prodotto sia nelle
condizioni operative appropriate.
•
Danneggiamento al prodotto che richiede l’assistenza.
Rimuovere le batterie e affidare la manutenzione a del
personale di assistenza qualificato in presenza di una
qualsiasi delle seguenti condizioni:
o Se è stato versato del liquido o se corpi estranei sono
entrati nel localizzatore;
o Se il localizzatore non funziona normalmente quando
vengono seguite le istruzioni operative;
o Se il localizzatore è caduto e/o si sia danneggiato;
o Quando il localizzatore dimostra un deciso cambia-
mento delle prestazioni.
Se avete delle domande riguardanti l’assistenza o la riparazione
di questa macchina, contattate il vostro distributore o
direttamente la Ridgid Italia srl.
In qualsiasi corrispondenza, specificare tutte le informazioni
riportate sulla targhetta dello strumento, tra cui il codice del
modello e il numero di serie.
Nota importante
Il NaviTrack® II è uno strumento diagnostico che rileva i campi
elettromagnetici emessi da oggetti che si trovino sottoterra.
Esso è progettato per aiutare l’utente a localizzare questi
oggetti riconoscendo le caratteristiche delle linee magnetiche
e visualizzandole sullo schermo. Poiché le linee del campo
elettromagnetico possono essere distorte e soggette a
interferenze, è importante verificare la posizione di oggetti
sotterranei prima di scavare.
È possibile che nella stessa zona siano interrate diverse
condutture di pubblica utenza. Assicurarsi di attenersi alle
direttive locali e alle procedure di assistenza su chiamata.
L’esposizione delle condutture di pubblica utenza è
l’unico modo per verificarne l’esistenza, la posizione e la
profondità.
Ridge Tool Co., le sue filiali e fornitori, non sarà responsabile
di eventuali lesioni o di qualsiasi danneggiamento diretto
e indiretto, accidentale o conseguente sostenuti o incorsi a
causa dell’utilizzo di NaviTrack® II.

NaviTrack® II
3
Componenti di NaviTrack® II
Figura 1: Componenti di NaviTrack® II
Comparto batterie
Targhetta numero di serie
Connettore USB
Connettore porta seriale
Supporto antenna
Segnali sonda colorati
Nodo dell’antenna superiore
Giunto pieghevole
Nodo dell’antenna inferiore
Display
Tastiera
Impugnatura
Altoparlante
Comparto batterie
Targhetta numero di serie
Connettore USB
Connettore porta seriale
Display
Tastiera
Impugnatura
Altoparlante
Supporto antenna
Segnali sonda colorati
Nodo dell’antenna
superiore
Giunto pieghevole
Nodo dell’antenna
inferiore

NaviTrack® II
4
Presentazione del NaviTrack® II
Istruzioni preliminari
Installazione/sostituzione delle batterie
Per l’installazione delle batterie nel NaviTrack® II, rovesciare
l’unità per accedere al compartimento della batteria. Ruotare
in senso antiorario la manopola posta sul coperchio del vano
batterie. Sollevare la manopola per rimuovere il coperchio.
Inserire le batterie come mostrato in figura e accertarsi che i
contatti combacino.
Ricollocare il coperchio sul vano; ruotare la manopola in senso
orario ed esercitare contemporaneamente una lieve pressione
fino alla chiusura. Il coperchio della batteria può essere
reinstallato ruotandolo in entrambi i sensi.
Figura 2: Vano batterie
Quando il NaviTrack® II viene acceso, impiega alcuni secondi
per controllare le batterie. Fino a quel momento, il livello della
batteria verrà visualizzato come “vuoto”.
AVVERTENZA!
Non permettere a detriti o all’umidità
di penetrare nel compartimento della batteria. I detriti o
l’umidità all’interno del compartimento della batteria possono
cortocircuitarne i contatti, provocandone la rapida scarica,
con conseguente possibile perdita di elettrolito o rischio
d’incendio.
Ripiegamento del supporto
Per iniziare l’uso, aprire il supporto dell’antenna e bloccare
in posizione il giunto pieghevole. Una volta completata la
localizzazione, premere la leva rossa di rilascio per piegare il
supporto dell’antenna e riporla.
AVVERTENZA:
Non colpire o scuotere il NaviTrack® II per
aprirlo o chiuderlo. Aprirlo e chiuderlo solo con la mano.
NOTA:
Evitare di trascinare il nodo dell’antenna inferiore sul
terreno durante la localizzazione con il NaviTrack® II. Ciò può
provocare un disturbo di segnale che interferirà con i risultati,
e alla fine potrebbe danneggiare l’antenna.
Figura 3: Supporto ripiegabile dell’antenna
e pulsante di rilascio

NaviTrack® II
5
Display
Figura 4: Elementi del display
(Default, modalità traccia-linea)
Caratteristiche
Sia un utilizzatore principiante che un utilizzatore esperto
possono utilizzare il NaviTrack® II con uguale facilità. Mentre
il NaviTrack® II offre caratteristiche avanzate che facilitano
le più complesse operazioni di localizzazione, molte delle
sue funzioni possono essere spente o nascoste per rendere
il display più semplice e più chiaro quando si fanno delle
operazioni di localizzazione in situazioni semplici.
Caratteristiche di base
Le “caratteristiche di base” del NaviTrack® II vengono visualizzate
per default. Esse possono essere personalizzate facilmente per
soddisfare i requisiti dell’utente.
Il display di default quando viene acceso mostrerà le seguenti
funzioni:
•
Angolo –
Viene visualizzato graficamente l’angolo
verso il centro del campo; il valore numerico è visualizzato
sotto il grafico.
•
Livello della batteria –
indica il livello di potenza
della batteria.
•
Potenza segnale –
Forza del segnale come rilevato
dall’antenna inferiore omnidirezionale.
•
Profondità/distanza –
visualizza la profondità quando
il ricevitore sta toccando il terreno direttamente sopra
la sorgente del segnale. Visualizza la distanza quando
il supporto antenna è puntato alla fonte del segnale in
qualche altro modo. L’impostazione di default visualizza
piedi/pollici.
•
Modalità –
Icona di Sonda
, traccia-linea,
, o modalità
Potenza (traccia passiva) .
•
Frequenza –
Visualizza l’impostazione attuale della
frequenza in Hertz o in kiloHertz.
•
Segnale di prossimità –
Indicazione numerica
che mostra la vicinanza della sorgente del segnale al
localizzatore. Visualizza da 1 a 999.
•
Traccia di segnale dell’antenna superiore –
la
linea mostra la direzione apparente del campo come viene
rilevata dall’antenna superiore.
•
Traccia di segnale dell’antenna inferiore
–
la linea mostra la direzione apparente del campo come
rilevata dall’antenna inferiore.
•
+ Centro della Mappa
mostra dove si trova il ricevitore/
localizzatore rispetto al display della mappa.
Frequenze di default
Le frequenze che sono attivate nell’impostazione di de-
fault possono essere esaminate una alla volta durante la
localizzazione semplicemente premendo il pulsante Frequenza.
Le frequenze di default includono:
Sonda
•
512 Hz
Traccia-linea
•
128 Hz
•
1 kHz
•
8 kHz
•
33 kHz
•
262 kHz
Potenza (Traccia passiva)
•
50/60 Hz
L’utilizzo di queste funzioni è descritto nelle sezioni Traccia di
Linea, Localizzazione Sonda e Traccia Passiva.
Segnale di
prossimità
Frequenza
Profondità/
Distanza
Indicatore in
2D d’angolo
orizzontale
Indicatore
numerico d’angolo
orizzontale
Livello batteria
Potenza segnale
Modalità

NaviTrack® II
6
Tastiera
•
Accensione On/Off –
Accende il NaviTrack® II. Spegne il
NaviTrack® II dopo un conto alla rovescia di 3 secondi. Il conto
alla rovescia può essere interrotto prima dello spegnimento
premendo qualsiasi tasto.
•
Frecce Su e Giù –
Utilizzate per individuare le scelte durante
la selezione del menu; utilizzato per impostare il Controllo
volume quando è stato premuto il tasto audio.
•
Tasto Selezione –
Utilizzato per fare una scelta durante
la selezione di Menu; durante il funzionamento normale,
utilizzata per forzare una lettura di profondità e ricentrare il
tono audio.
•
Tasto Menu –
Utilizzato per visualizzare un “albero” di scelte,
comprese le selezioni della frequenza, le scelte degli elementi
del display, la luminosità e il contrasto e per ripristinare le
impostazioni di default. In un menu, si sposterà in alto di un
livello.
•
Tasto Volume –
Utilizzato per alzare o abbassare l’imposta-
zione del volume; varierà il volume da alto a zero. Premendo
Volume apre il pannello di Controllo volume se è chiuso, e
lo chiude se è aperto. Il volume può essere anche alzato e
abbassato utilizzando i tasti freccia quando ci si trova nel
pannello di controllo Volume.
•
Tasto Frequenza –
Utilizzato per impostare la frequenza di
lavoro del NaviTrack® II dalla gamma di frequenze attivate.
L’elenco delle frequenze attivate può essere modificato per
mezzo del menu. Le frequenze sono raggruppate in
quattro
gamme
: Frequenze di sonda (
), Frequenze di traccia-linea
(
), e Frequenze di potenza ( ).
Durata delle batterie
Utilizzando le batterie alcaline, la durata operativa tipica
è di circa 12 a 24 ore a seconda del volume dell’audio e del
tempo in cui il display retroilluminato è acceso. Altri fattori
che influenzano il tempo di funzionamento comprendono
la chimica della batteria (molte delle nuove batterie ad alte
prestazioni, come la “Duracell® ULTRA” durano più a lungo del
10% -20% rispetto alle batterie alcaline convenzionali nelle
applicazioni ad alto assorbimento). La vita della batteria sarà
ridotta anche dall’azionamento a basse temperature.
Il display del NaviTrack® II può anche visualizzare dei simboli
casuali quando la corrente della batteria è troppo bassa per
alimentare correttamente i circuiti logici interni. Per ovviare
a questo inconveniente basta mettere delle batterie nuove
nell’unità.
Per conservare la durata della batteria il NaviTrack® II si
spegnerà automaticamente dopo 1 ora se non viene premuto
nessun tasto. Per riprendere l’uso, è sufficiente accendere
l’apparecchio.
Avviamento
Dopo aver premuto il tasto Potenza
sulla tastierina,
compare il logo RIDGID®, e nell’angolo inferiore sinistro verrà
visualizzato il numero di versione software.
Figura 5: Schermo di avviamento
Avvertenza di batteria bassa
Quando la batteria comincia a scaricarsi, nell’area della mappa
sullo schermo verrà visualizzata un’icona di batteria
. Questo
simbolo indica che è necessario sostituire le batterie e che la
durata di funzionamento dell’apparecchio sta per esaurirsi.
Figura 6: Avvertenza di batteria bassa
Immediatamente prima della disattivazione totale ci sarà una
sequenza di spegnimento non interrompibile.
NOTA:
Talvolta la tensione delle batterie ricaricabili può
scendere così rapidamente che l’unità si spegne. Dopo lo
spegnimento avviene il reset. E’ sufficente sostituire le batterie
e riaccendere l’unità.
Tasto di controllo del volume
Tasto su
Interrogazione Menu
Tasto Selezione
Voce di menu Selezione
Tasto Menu
Tasto Accensione /
Spegnimento (On/Off)
Tasto Giù
Interrogazione Menu
Tasto Frequenza
Tasto di controllo
del volume
Tasto su
Interrogazione Menu
Tasto Selezione
Voce di menu Selezione
Tasto Menu
Tasto Accensione/
Spegnimento
(On/Off)
Tasto Giù
Interrogazione Menu
Tasto Frequenza