Bondioli&Pavesi 399CEEG01_D: NEDERLANDS
NEDERLANDS: Bondioli&Pavesi 399CEEG01_D

NL
VERTALING VAN DE
OORSPRONKELIJKE
NEDERLANDS
AANWIJZINGEN
VEILIGHEIDSETIKETTEN
ETIKET VOOR BESCHERMBUIS Cod. 399141000
1
ETIKET VOOR BESCHERMBUIS Cod. 399JAP001
U dient steeds de voorschriften op de veiligheidsetiketten na te leven en de nodige
bescherming te gebruiken. Een hoog percentage ongevallen dat veroorzaakt wordt
door cardanoverbrengingen vindt plaats wanneer de bescherming ontbreekt of
niet goed werkt.
Kan om exportredenen aanwezig zijn samen met het etiket 399CEE051 maar is
voor de homologatie niet noodzakelijk .
ETIKET VOOR BESCHERMBUIS Cod. 399CEE051 - Kom niet in het
2
werkgebied van een in werking zijnde cardanoverbrenging. Contact kan
ernstige ongevallen veroorzaken. Draag geen kledingstukken met riemen of losse
flappen e.d. die verstrikt kunnen raken. Alvorens met het werk te beginnen dient
men na te gaan of alle beschermingen van de overbrenging, de tractor en de
aangekoppelde machine op hun plaats zitten en goed functioneren. Eventuele
beschadigde of ontbrekende onderdelen dienen te worden vervangen en op de
juiste plaats te worden geïnstalleerd voordat men de overbrenging in gebruik neemt.
Voordat men in de buurt van de machine komt of onderhoudswerkzaamheden
uitvoert, dient men de motor uit te zetten en de sleutels uit de tractor te halen. Lees
voor gebruik dit handboek en het handboek van de machine.
DEZE AANWIJZINGEN BETREFFEN UW VEILIGHEID.
ETIKET VOOR TRANSMISSIEBUIS Cod. 399143000 - GEVAAR!
3
Kom niet in het werkgebied van een in werking zijnde cardanas.
Draag geen kledingstukken met riemen of losse flappen e.d. die verstrikt kunnen
raken. Contact met draaiende delen kan ernstige ongelukken veroorzaken die zelfs
dodelijk kunnen zijn.
BESCHERMING ONTBREEKT, NIET GEBRUIKEN.
Gebruik de cardanoverbrenging niet zonder de beschermingen; begin pas
met werken als alle beschermingen aanwezig zijn en goed functioneren.
Beschadigde of ontbrekende onderdelen dienen te worden vervangen en op de
juiste plaats te worden geïnstalleerd voordat men de overbrenging in gebruik neemt.
VEILIGHEID EN GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN
Overschrijd gedurende het gebruik van de machine en dus van de
4
cardanoverbrenging nooit de snelheid en het vermogen die in het handboek
van de machine zijn aangegeven. Vermijd overbelastingen en inschakelingen
onder belasting van de aftakas. Maak gebruik van de draaimomentbegrenzer en
het vrijwiel op de machinezijde van de overbrenging. Gebruik de machine alleen
met de originele cardanoverbrenging, die geschikt is qua lengte, afmetingen,
voorzieningen en beschermingen.
Gebruik de cardanoverbrenging, de draaimomentbegrenzers en het vrijwiel uitsluitend
voor de toepassingen waarvoor ze bedoeld zijn. Kijk in de gebruikshandleiding
of de cardanoverbrenging uitgerust dient te zijn met een draaimomentbegrenzer
of vrijwiel. De cardanoverbrengingen, draaimomentbegrenzers en het vrijwiel zijn
–1
berekend op snelheden van maximaal 1000 min
.
Controleer of de cardanas alle noodzakelijke bewegingen kan verrichten zonder
te interfereren met de tractor of met de machine. Als deze in contact komt met
76

NL
onderdelen van de tractor, trekhaken, driepuntsbevestigingen, dan kan de
bescherming van de cardanas beschadigd raken. Gebruik geen tractoren of
aankoppelsystemen die interfereren met de cardanas terwijl deze beweegt.
Gebruik geen adapters of onderdelen waarmee de fabrikant van de machine geen
rekening heeft gehouden.
NOMINAAL VERMOGEN Pn en NOMINAAL DRAAIMOMENT Mn
-1
-1
540 min
1000 min
Pn Mn Pn Mn
kW CV-HP-PS Nm kW CV-HP-PS Nm
G1 12 16 210 18 25 172
G2 15 21 270 23 31 220
G3 26 35 460 40 55 380
G4 26 35 460 40 55 380
G5 35 47 620 54 74 520
G7 47 64 830 74 100 710
G8 61 83 1080 96 130 917
G9 70 95 1240 110 150 1050
Alle draaiende onderdelen moeten voorzien zijn van een bescherming.
5
De bescherming van de tractor en de machine zorgen samen met die van de
cardanoverbrenging voor uw veiligheid.
Alvorens met het werk te beginnen dient men na te gaan of alle beschermingen
6
van de overbrenging, de tractor en de aangekoppelde machine op hun plaats
zitten en goed functioneren. Eventuele beschadigde of ontbrekende onderdelen
moeten worden vervangen door originele reserveonderdelen en op de juiste wijze
worden geinstalleerd, voordat men de overbrenging in gebruik neemt.
Voordat men in de buurt van de machine komt of onderhoudswerkzaamheden
7
uitvoert, dient men de motor uit te zetten, de sleutels uit het bedieningspaneel
van de tractor te halen en er zeker van te zijn dat alle onderdelen stilstaan.
Kom niet te dicht bij het werkgebied of onderdelen die in beweging zijn.
8
Draag geen kledingstukken met riemen of losse flappen e.d. die verstrikt
kunnen raken. Contact met draaiende onderdelen kan ernstige ongevallen
veroorzaken die zelfs dodelijk kunnen zijn.
Gebruik de overbrenging niet als steun of als opstapje.
9
De telescoopbuizen moeten elkaar in normale werkomstandigheden minstens
10
voor de helft van hun lengte overlappen en in alle werkomstandigheden voor
minstens 1/3. Ook wanneer de overbrenging niet draait, moeten de telescoopbuizen
elkaar voldoende overlappen om vastlopen te voorkomen.
Gebruik de STILSTAANDE MACHINES (pompen, liften, generatoren, drogers,
11
enz.) alleen maar wanneer ze aan de tractor gekoppeld zijn.
Houd de tractor, indien nodig, met blokken achter de wielen tegen. De tractor moet
aan de machine gekoppeld zijn en zodanig geplaatst zijn dat de hoeken van de
koppelingen beperkt en onderling gelijk zijn.
EENVOUDIGE CARDANKOPPELINGEN
12
Werk met beperkte hoeken die gelijk zijn aan a1 = a2. Het wordt aangeraden
om voor korte manoeuvres (stuurbewegingen) met hoeken van maximaal 45° te
werken. Schakel de aftakas uit als de hoeken te groot of ongelijk zijn.
77

NL
HOMOKINETISCHE KOPPELINGEN
13
Het is aangeraden met de normale of een zo klein mogelijke homokinetische
scharnierhoek te werken. Voor korte manoeuvres (stuurbewegingen) mogen de
hoeken groter zijn, maar niet groter dan 50°, 70° (Homokinetische Koppeling
652) of 80°, afhankelijk van het type homokinetische koppeling. Wanneer de
overbrenging uitgerust is met een homokinetische koppeling aan de tractorzijde en
een eenvoudige cardankoppeling aan de machinezijde, wordt het aangeraden voor
de eenvoudige koppeling niet constant te werken met een hoek groter dan 16° bij
–1
–1
540 min
en 9° bij 1000 min
om een variërende motorsnelheid te vermijden.
Verlicht het werkgebied van de overbrenging tijdens de installatie en bij het
14
gebruik ervan ‘s nachts of in omstandigheden met slecht zicht.
De frictiekoppelingen kunnen heet worden. Niet aanraken! Om brand te
15
voorkomen, al het brandbare materiaal uit de buurt van de frictiekoppeling
houden en aanhoudend slippen van de frictiekoppeling vermijden.
INSTALLATIE
Alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd
16
met de gepaste beschermingen.
Het tractorsymbooltje op de bescherming geeft de tractorzijde van de
17
overbrenging aan. Een eventuele draaimomentbegrenzer of vrijwiel moet
steeds aan de zijde van de aangekoppelde machine geïnstalleerd worden.
Alvorens met het werk te beginnen dient men na te gaan of de
18
cardanoverbrenging op de juiste wijze aan de tractor en aan de machine is
bevestigd. Controleer of eventuele bevestigingsbouten goed vastzitten.
Maak de veiligheidskettingen vast. Men verkrijgt de beste werkomstandigheden
19
wanneer de ketting loodrecht tegenover de overbrenging bevestigd is. Regel
de lengte van de kettingen zodanig dat het scharnieren van de overbrenging onder
alle werk-, transport- en manoeuvreeromstandigheden mogelijk is. Zorg ervoor dat
de kettingen niet te los hangen zodat ze rond de overbrenging gaan draaien.
Als de lengte van de ketting niet goed is afgesteld en er te veel spanning
20
op komt te staan, bijvoorbeeld tijdens manoeuvres van de machine, gaat
de “S”-verbindingshaak open en raakt de ketting los van de bescherming. In dat
geval moet de ketting vervangen worden. De “S”-haak van de nieuwe ketting moet
door het oog van de basistrechter gehaald worden en moet gesloten worden, om
te voorkomen dat hij losschiet, met behoud van de ronding.
Als de lengte van de ketting met het mechaniek om deze los te koppelen
21
van de basistrechter niet goed is afgesteld en er te veel spanning op komt te
staan, bijvoorbeeld tijdens manoeuvres van de machine, schiet de veerhaak uit het
bevestigingsoog en raakt de ketting los van de bescherming. In dat geval kan de ketting
weer makkelijk worden bevestigd, zoals weergegeven in de volgende procedure.
Maak het bevestigingsoog los door de schroeven los te draaien en het
22
plaatje te verplaatsen.
Maak de haak vast aan het bevestigingsoog en zet het plaatje terug op zijn plaats.
23
Sluit het plaatje met behulp van de schroeven.
24
78

NL
Gebruik de veiligheidskettingen niet om de cardanoverbrenging te
25
transporteren of na het werk te ondersteunen. Gebruik hiervoor een speciale
steun.
Smeer de aftakas van de tractor en van de machine en maak hem schoon
26
alvorens de cardanoverbrenging te installeren.
Transporteer de overbrenging in horizontale positie om te voorkomen dat
27
ze uitschuift en ongelukken veroorzaakt of de bescherming beschadigt.
Gebruik transportmiddelen die voor het gewicht van de overbrenging geschikt zijn.
DRUKSTIFT
28
Druk op de stift en schuif de naad van de gaffel op de aftakas, zodanig
dat de drukstift vastklikt in de gleuf van de aftakas. Controleer of de drukstift na
bevestiging in de oorspronkelijke positie terugkeert.
KOGELRING
29
Aligneer de gaffel op de aftakas. Schuif de ring naar de opening. Schuif de
gaffel helemaal over de aftakas. Laat de ring los en trek aan de gaffel tot de kogels
in de groef van de aftakas vallen en de ring terug op zijn oorspronkelijke positie zit.
Controleer of de gaffel goed bevestigd is op de aftakas.
AUTOMATISCHE KOGELRING
30
Trek aan de ring tot deze in de achterste stand zit. Schuif de gaffel over de
aftakas tot de ring terug op zijn oorspronkelijke positie zit. Controleer of de gaffel
goed bevestigd is op de aftakas.
CONISCHE BOUT
31
Schuif de naad van de gaffel op de aftakas en breng de bout aan zodat het
conisch profiel in de groef van de aftakas komt te zitten. Aanbevolen draaimoment:
- 150 Nm (110 ft lbs) voor profielen 1 3/8” Z6 of Z21.
- 220 Nm (160 ft lbs) voor profielen 1 3/4” Z6 of Z20.
Niet vervangen door een gewone bout, maar een conische bout van Bondioli &
Pavesi gebruiken.
BORGBOUT
32
Schuif de naad van de gaffel op de aftakas en breng de bout aan.
Aanbevolen draaimoment:
- 90 Nm (65 ft lbs) voor M12-bouten; - 140 Nm (100 ft lbs) voor M14-bouten.
Gebruik uitsluitend bouten met dezelfde afmetingen en van dezelfde klasse
33
zoals aangegeven in het handboek van de machine. Kies de lengte van de
bout zodanig dat hij minimaal uitsteekt.
SMERING
Alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd
34
met de gepaste beschermingen.
Vervang versleten of beschadigde onderdelen door originele reserveonderdelen
35
van Bondioli & Pavesi. Breng niet eigenmachtig veranderingen aan in de onderdelen
van de overbrenging, voor handelingen die niet beschreven zijn in de gebruiks- en
onderhoudshandleiding dient men zich te wenden tot de dealer van Bondioli & Pavesi.
79

NL
SMERING TELESCOOPELEMENTEN
36
Scheid de twee helften van de overbrenging en smeer de telescoopelementen
met de hand indien er daarvoor geen smeernippel aanwezig is.
Controleer de werking van alle componenten en smeer deze alvorens de
37
overbrenging te gebruiken. Aan het einde van het seizoensgebruik dient men
de overbrenging schoon te maken en te smeren. Smeer de verschillende onderdelen
aan de hand van het schema, de smeerintervallen zijn uitgedrukt in uren.
De in de handleiding aangegeven hoeveelheden vet zijn aanbevolen voor een
interval van 50 uur. Bij zwaar gebruik in een agressieve omgeving kan het
nodig zijn om vaker dan om de 50 uur te smeren. Hoeveelheden uitgedrukt
in grammen (g) 1 ounce (oz.) = 28.3 g (gram). Pomp het vet in de kruisstukken
tot het uit de lagers komt. Smeer geleidelijk en niet te snel. Het is aangeraden
smeervet NLGI graad 2 te gebruiken. Het wordt aanbevolen om aan het einde van
het seizoensgebruik het eventueel aan de binnenkant van de bescherming van de
homokinetische koppeling opgehoopte vet te verwijderen.
SMERING VAN DE HOMOKINETISCHE KOPPELING 80°
38
Lijn de gaten van de beschermband uit met de smeernippels van de
kruisstukken en van het middengedeelte van de homokinetische koppeling. Het
smeervet dat in het huis van de homokinetische koppeling wordt gepompt, smeert
ook de steunring van de beschermband via een interne leiding. Het is aanbevolen
om elke 50 uur minstens de hoeveelheid smeervet te pompen die in de tabel onder
punt 37 is aangegeven.
DRAAIMOMENTBEGRENZERS EN VRIJWIEL
RA - VRIJWIEL
39
Dit element voorkomt dat de aandrijfkrachten van de machine naar de tractor
teruglopen tijdens het versnellen of vertragen van de aftakas.
Kom niet in de buurt van de machine voordat alle onderdelen stilstaan.
Smeren na iedere 50 bedrijfsuren en na iedere langere periode van stilstand.
SA - LN DRAAIMOMENTBEGRENZER MET PALLEN
40
Onderbreekt de krachtoverbrenging wanneer het draaimoment de ijkwaarde
overschrijdt. Schakel de aftakas meteen uit wanneer u de pallen hoort klikken.
Smeren na iedere 50 bedrijfsuren en na iedere langere periode van stilstand.
LB - DRAAIMOMENTBEGRENZER MET BOUT
41
Onderbreekt de krachtoverbrenging wanneer het draaimoment de ijkwaarde
overschrijdt. Als de bout breekt, dient u deze te vervangen door een bout van
dezelfde afmetingen en kwaliteitsklasse. Smeer de LB begrenzers die voorzien zijn
van een smeernippel minstens een maal per seizoen en na iedere langere periode
van stilstand.
LR - AUTOMATISCHE DRAAIMOMENTBEGRENZER
42
Onderbreekt de krachtoverbrenging, wanneer de draaimomentwaarde hoger is dan
de ijkwaarde. Tijdens de werking van de draaimomentbegrenzer is de krachtoverbrenging
onderbroken, maar nadat de stuwing is verholpen kan deze automatisch worden hervat
door de overbrenging op lage snelheid in te schakelen. Het systeem wordt bij de montage
gesmeerd en hoeft niet periodiek te worden gesmeerd.
GE - ELASTISCHE KOPPELING
43
Voorkomt overschrijdingen van het toegestane draaimoment en dempt
trillingen en wisselbelastingen. Er is geen periodiek onderhoud vereist.
80

NL
DRAAIMOMENTBEGRENZERS MET FRICTIEPLATEN
Op het moment van de installatie van het mechanisme of na een periode van
stilstand dient men te controleren of de frictieplaten goed functioneren.
• Wanneer de frictieplaten zichtbaar zijn (zie guur 44) is de koppeling van het type
FV met schotelveer en FFV met schroefveren. Meet en noteer de veerhoogte zoals
afgebeeld in guur 45. Wanneer de frictieplaten bedekt zijn met een metalen strook
(zie guur 46), dan is het een FT-frictiekoppeling. Als de platen van de koppeling
zichtbaar zijn en de bouten blinde moeren hebben, dan is de koppeling van het
type FK. Na aoop van het seizoensgebruik dient u de veerdruk te ontspannen en
het mechanisme op een droge plaats te bewaren. Alvorens het mechanisme weer
in gebruik te nemen, dient men te controleren of de frictieplaten goed functioneren
en dient men de veerhoogte terug te brengen naar de oorspronkelijke waarde.
Bij oververhitting van het mechanisme als gevolg van vaak en langdurig slippen,
dient men de dealer van de machine of de dealer van Bondioli & Pavesi te raadplegen.
FV - DRAAIMOMENTBEGRENZER MET FRICTIEPLATEN
44
Het slippen van de frictieplaten verlaagt de waarde van het draaimoment.
Kortstondige overschrijding van het toegestane draaimoment en
overbelasting worden vermeden. Deze voorziening kan worden gebruikt als
draaimomentbegrenzer of als startmechanisme voor zeer trage machines.
De ijking kan gewijzigd worden via de bijstelling van de werkhoogte van de veer.
Bij een FV-frictiekoppeling zijn de metalen platen en de frictieplaten zichtbaar.
De ijking van de draaimomentbegrenzers met FV-frictieplaten varieert naar
45
gelang de hoogte ‘h’ van de veren. Om de ijkwaarde te verhogen/verlagen
draait u de acht moeren een kwartdraai vast/los. Controleer vervolgens de
werking. Herhaal deze handeling indien nodig. Draai de bouten niet te vast, dit zou
de werking immers negatief kunnen beïnvloeden.
FT - FK - DRAAIMOMENTBEGRENZERS MET FRICTIEPLATEN
46
Het slippen van de frictieplaten verlaagt de waarde van het draaimoment.
Kortstondige overschrijding van het toegestane draaimoment en
overbelasting worden vermeden. Deze voorziening kan worden gebruikt als
draaimomentbegrenzer of als startmechanisme voor zeer trage machines. De FT-
frictiekoppeling heeft een metalen strook om haar omtrek. De druk van de veer is
correct wanneer ze de metalen strook raakt. Deze conditie kan verkregen worden
door de bouten aan te halen tot de veer de strook blokkeert en de moer vervolgens
1/4 slag los te draaien. Draai de bouten niet te vast, dit zou de werking negatief
kunnen beïnvloeden. De FK-koppeling heeft bouten met blinde moeren. De
samendrukking van de veer is correct als de moeren volledig zijn aangedraaid.
Gebruik uitsluitend speciale B&P-bouten en -moeren.
Wanneer er in de ensgaffel behalve de acht bouten ook vier
47
cilinderkopschroeven met binnenzeskant zitten, is de frictiekoppeling
voorzien van een veiligheidsveer. De druk van de veer wordt tot het minimum
teruggebracht wanneer de vier schroeven in de ens worden gedraaid. Lees de
instructies die bij de frictiekoppelingen met veiligheidsveer geleverd zijn. Dankzij de
veiligheidsveer is het mogelijk de staat van de frictieplaten te controleren en de druk
van de veren op de frictieplaten tot het minimum terug te brengen tijdens periodes
van stilstand. Bij de frictiekoppelingen die voorzien zijn van een veiligheidsveer
wordt een gebruiks- en onderhoudshandleiding geleverd. Lees deze voor
een correct gebruik van de veiligheidsveer.
81

NL
FFV - DRAAIMOMENTBEGRENZER MET FRICTIEPLATEN
48
Het slippen van de frictieplaten verlaagt de waarde van het draaimoment.
Kortstondige overschrijding van het toegestane draaimoment en
overbelasting worden vermeden. Deze voorziening kan worden gebruikt als
draaimomentbegrenzer of als startmechanisme voor zeer trage machines.
De ijking kan gewijzigd worden via de bijstelling van de werkhoogte van de
49
veren. Bij een FFV-frictiekoppeling zijn de metalen platen en de frictieplaten
zichtbaar. De ijking van de draaimomentbegrenzers met FFV-frictieplaten varieert
naar gelang de hoogte ‘h’ van de veren. Om de ijkwaarde te verhogen/verlagen
draait u de acht moeren een kwartdraai vast/los. Controleer vervolgens de
werking. Herhaal deze handeling indien nodig. Draai de bouten niet te vast, dit zou
de werking immers negatief kunnen beïnvloeden.
FNT - FNV - FFNV - FNK
50
DRAAIMOMENTBEGRENZER MET PRICTIEPLATEN EN VRIJWIEL
Verenigt alle functionele karakteristieken van de draaimomentbegrenzer met die
van het vrijwiel. Deze is verplicht op machines met sterk roterende massa’s.
Kom niet in de buurt van de machine voordat alle onderdelen stilstaan.
Smeren na iedere 50 bedrijfsuren en na iedere langere periode van stilstand.
De frictiekoppelingen kunnen heet worden. Niet aanraken! Om brand te
51
voorkomen, dient al het brandbare materiaal uit de buurt van de frictiekoppeling
gehouden te worden en aanhoudend slippen van de frictiekoppeling vermeden te worden.
DEMONTAGE VAN DE BESCHERMING
Draai de bevestigingsschroeven los.
52
Haal de basistrechter en de buis los.
53
Verwijder de golfstrook en verwijder de draagring.
54
MONTAGE VAN DE BESCHERMING
Smeer de behuizing van de draagring op de binnengaffels.
55
Monteer de draagring in de gleuf. Zorg ervoor dat de referentiepin naar de
56
transmissiebuis is gericht.
Monteer de geribbelde band door de referentiepin van de ring in het gat van
57
de band te steken.
Monteer de basistrechter met de buis door de referentiepin en de smeernippel
58
van de ring in de gaten van de trechter te steken.
Draai de bevestigingsschroeven vast.
59
Het gebruik van elektrische schroevendraaiers wordt afgeraden.
DEMONTAGE VAN DE BESCHERMING G9
Draai de bevestigingsschroeven los.
60
Haal de basistrechter en de buis los.
61
82

NL
Verwijder de golfstrook en verwijder de draagring.
62
MONTAGE VAN DE BESCHERMING G9
Smeer de behuizing van de draagring op de binnengaffels.
63
Monteer de draagring in de groef met de smeernippel naar de
64
overbrengingsbuis gericht.
Steek de golfstrook zo naar binnen dat de smeernippel samenvalt met de
65
daarvoor bestemde opening.
Plaats de basistrechter en de buis.
66
Draai de bevestigingsschroeven vast.
67
Het gebruik van elektrische schroevendraaiers wordt afgeraden.
DEMONTAGE VAN DE BESCHERMING VOOR HOMOKINETISCHE KOPPELINGEN
Draai de schroeven van de beschermstrook los.
68
Draai de schroeven van de basistrechter los.
69
Haal de basistrechter en de buis los.
70
Haal de beschermstrook los.
71
Maak de sluitveer los waarbij u hem in één van de twee gaten van de ring laat
72
zitten, om te voorkomen dat u hem kwijtraakt.
Maak de draagringen wijder en haal ze uit de behuizingen.
73
MONTAGE VAN DE BESCHERMING VOOR HOMOKINETISCHE KOPPELINGEN
Smeer de zittingen en installeer de draagringen van de bescherming.
74
Plaats de ring op de binnengaffel met de referentiepin naar de transmissiebuis
gericht.
Plaats de draagring op de homokinetische koppeling met het beslag naar de
75
binnengaffel gericht. De ring is uitgerust met een smeernippel die alleen voor
homokinetische koppelingen van 50° wordt gebruikt. De smeernippel van de grote ring
is niet van toepassing voor de bescherming van 80° koppelingen.
Bevestig de sluitveer aan de twee slippen van de steunring.
76
Breng de beschermband aan en lijn de radiale gaten uit met het beslag van de
77
draagring en het gat op de achterkant met de referentiepin van de kleine ring. De
smeernippel van de ring moet met de gaten op de beschermband worden uitgelijnd.
Controleer of de radiale gaten van de beschermband zijn uitgelijnd met de
78
gaten in het beslag van de draagring en of de referentiepin erin geplaatst is.
Draai de 6 ensschroeven van de beschermband aan. Het gebruik van elektrische
schroevendraaiers wordt afgeraden.
83

NL
Monteer de basistrechter met de buis door de referentiepin van de ring in het
79
gat op de basistrechter te steken. De smeernippel van de ring bevindt zich
in het gat van de basistrechter.
Draai de 3 bevestigingsschroeven van de beschermstrook vast. Het gebruik
80
van elektrische schroevendraaiers wordt afgeraden.
HOE MAAKT U DE CARDANOVERBRENGING KORTER
Bondioli & Pavesi raadt u aan geen veranderingen aan te brengen aan de producten
en in elk geval de verkoper van de machine of een bevoegde technische dienst te
raadplegen. Voer de volgende procedure uit wanneer u de overbrenging wilt inkorten.
Demontage van de bescherming.
81
Kort de overbrengingsbuizen in tot de gewenste lengte.
82
De telescoopbuizen moeten elkaar in normale werkomstandigheden
minstens voor de helft van hun lengte overlappen en in alle werkomstandigheden
voor minstens 1/3. Ook wanneer de overbrenging niet draait, moeten de
telescoopbuizen elkaar voldoende overlappen om vastlopen te voorkomen.
Braam de uiteinden van de buizen zorgvuldig af met een vijl en verwijder
83
het vijlsel.
Kort de beschermbuizen één voor één evenveel in als de overbrengingsbuizen.
84
Smeer de binnenste overbrengingsbuis en breng de bescherming weer aan.
85
Controleer de minimum- en maximumlengte van de overbrenging op de
86
machine.
STORINGEN EN HET VERHELPEN ERVAN
SLIJTAGE GAFFELBENEN
87
OVERSCHRIJDEN VAN DE TOEGESTANE WERKHOEKEN
• De werkhoek kleiner maken.
• Schakel de aftakas uit bij manoeuvres waarbij de hoeken van de koppelingen
meer dan 45° bedragen.
VERVORMING VAN DE GAFFELBENEN
88
OVERSCHRIJDING VAN HET TOEGESTANE DRAAIMOMENT
• Vermijd overbelastingen en inschakelingen onder belasting van de aftakas.
• Controleer de werking van de draaimomentbegrenzer.
BREUK VAN DE TAPPEN VAN HET KRUISSTUK
89
OVERSCHRIJDING VAN HET TOEGESTANE DRAAIMOMENT
• Vermijd overbelasting en inschakelingen onder belasting van de aftakas.
• Controleer de werking van de draaimomentbegrenzer.
VOORTIJDIGE SLIJTAGE VAN DE TAPPEN VAN HET KRUISSTUK
90
TE HOOG WERKVERMOGEN
• Overschrijd nooit de snelheid en het vermogen die in het handboek zijn
aangegeven.
ONVOLDOENDE SMERING
• Volg de aanwijzingen van punt 37.
84

NL
LOSRAKEN VAN DE TELESCOOPBUIZEN
91
OVERBRENGING TE VEEL UITGESCHOVEN
• Zorg ervoor dat de cardanoverbrenging niet te veel wordt uitgeschoven.
• Voor stilstaande machines: de tractor zodanig plaatsen ten opzichte van de
machine dat de telescoopelementen elkaar overlappen zoals aangegeven in punt 10.
VERVORMING VAN DE TELESCOOPELEMENTEN
92
OVERSCHRIJDING VAN HET TOEGESTANE DRAAIMOMENT
• Vermijd overbelastingen en inschakelingen onder belasting van de aftakas
• Controleer de werking van de draaimomentbegrenzer.
• Zorg ervoor dat de bescherming gedurende de manoeuvres niet in aanraking
komt met de delen van de tractor of de machine.
VOORTIJDIGE SLIJTAGE VAN DE TELESCOOPBUIZEN
93
ONVOLDOENDE SMERING
• Volg de aanwijzingen in het hoofdstuk Smering
ONVOLDOENDE OVERLAPPING VAN DE BUIZEN
• Zie de aanwijzingen onder punt 10.
VROEGTIJDIGE SLIJTAGE VAN DE BESCHERMINGSRINGEN
94
ONVOLDOENDE SMERING
• Volg de aanwijzingen onder punt 37.
VERKEERD BEVESTIGDE VEILIGHEIDSKETTING
• Zie de aanwijzingen onder punt 19.
De onderdelen van plastic van de Bondioli & Pavesi cardanoverbrengingen
95
zijn volledig recyclebaar. Voor een schonere wereld, moeten de onderdelen
die vervangen worden op gepaste wijze worden ingezameld.
85