Mitsubishi Electric CMB-P105V-F: GBDFINLEPGRRUTR

GBDFINLEPGRRUTR: Mitsubishi Electric CMB-P105V-F

background image

34

GB D F I NL E P GR RU TR

5. Elektrische installatie

s

Raadpleeg van te voren alle van toepassing zijnde reglementen van de

energiebedrijven.

 Waarschuwing:

De elektrische installatie moet uitgevoerd worden door gekwalificeerde tech-

nici en in overeenstemming met alle reglementen en de bijgevoegde

instructiehandleidingen. Er moeten ook speciale circuits gebruikt worden.

Als de stroomvoorziening te laag wordt gedimensioneerd of als er  montage-

fouten worden gemaakt kan dit elektrische schokken of brand tot gevolg

hebben.

s

Maak alle bedrading zo vast dat er geen speling op zit.

Sluit het netsnoer aan op de bedieningsdoos m.b.v. een kabeldoorvoer die

spankrachten kan opvangen (een PG-aansluiting of iets dergelijks).

[Fig. 5.0.1] (P.3)

A

Regelkastje

B

Voedingskabel

C

ø21 gat (gesloten rubberen bus)

D

Transmissiedraden

s

Sluit het netsnoer niet aan op het klemmenbord voor de bedieningskabels.

(Als u dit wel doet, kan het stuk gaan.)

s

Zorg ervoor dat u de bedrading aanbrengt tussen de klemmenborden

van de bedieningsdraden voor het binnenapparaat, buitenapparaat en de

BC-bedieningseenheid.

Voor uitgaande kabels wordt niet-gepolariseerd  tweepolige getwiste draad ge-

bruikt.

Pas voor uitgaande kabel twee-aderige afgeschermde kabel toe (CVVS, CPEVS)

van meer dan 1,25 mm

2

 doorsnede.

De schakelcapaciteit van de netvoeding voor de BC-bedieningseenheden en de

draadgrootte zijn als volgt:

Schakelaar (A)

Draaddia-

Vermogen

Zekering

meter

15

15

20A

20A 30mA

1,5 mm

2

0,1 s of minder

Voor meer gedetailleerde informatie verwijzen wij u naar de installatiehandleiding

van het buitenapparaat.

Netspanningskabels van apparatuur mag niet lichter zijn dan ontwerp 245 IEC

53 of 227 IEC 53.

Een schakelaar met een contactonderbreking van minimaal 3 mm in elke pool

moet door de airconditionerinstallateur worden geleverd.

 Voorzichtig:

Gebruik alleen de correcte waarde voor de zekering en de onderbreker. Bij

toepassing van zekeringen of leidingen van een verkeerde capaciteit kan

een defect of brand optreden.

Zorg ervoor dat de buitenapparaten geaard zijn. Sluit de aardingskabel niet

aan op een gasleiding, een waterleidingspijp, een bliksemafleider of een

telefoonaardingskabel.

Onvolledige aarding kan elektrische schokken tot gevolg hebben.

4.3. De koelleidingen isoleren

Wikkel zowel om de vloeistofleidingen als om de gasleidingen warmtebestendig

polyethyleenschuim met een dikte van meer dan 10mm, en isoleer ook de verbin-

dingen tussen het binnenapparaat en het isolatiemateriaal zodanig dat er geen

opening meer is. Bij onvolledige isolatie kan er condensvorming optreden. Wees

hier zorgvuldig mee, vooral bij het isoleren boven een plafond.

[Fig. 4.3.1] (P.3)

A

Plaatselijk gekocht isolatiemateriaal voor de leidingen

B

Hier omwikkelen door middel van band of tape

C

Laat geen opening over

D

Overlapping: meer dan 40

E

Isolatiemateriaal (Deze moet u zelf kopen.)

F

Isolatiemateriaal aan de kant van het apparaat

4.4. Afvoerleidingwerk

1. Afvoerleidingwerk

Verzeker u ervan dat de afvoerleidingen naar beneden lopen met een helling

van meer dan 1/100ste in de richting van de buitenkant (afvoerzijde). Als het

onmogelijk is om de leidingen naar beneden hellend aan  te brengen, gebruik

dan het optioneel verkrijgbare mechanisme om de afvoer te verhogen, zodat

dan een helling van meer dan 1/100ste bewerkstelligd kan worden.

Verzeker u ervan dat dwarslopende leidingen niet langer zijn dan 20m. Als de

afvoerleiding lang is, breng dan metalen steunen aan om doorbuigen te voor-

komen. Gebruik nooit leidingen met ontluchtingskleppen, want dan zou het

afvoerwater uitgestoten kunnen worden.

Sluit de meegeleverde afvoerslang aan op de afvoeropening van de omkasting

van het apparaat. Gebruik harde PVC leidingen VP-25 (ø32) voor de afvoer-

leidingen (

2

). Maak de meegeleverde afvoerslang vast aan de afvoeropening

met gebruik van de meegeleverde band. (Gebruik hier nooit lijm voor omdat de

slang later voor onderhoud losgemaakt moet kunnen worden.)

Monteer geen stankafsluiter bij de afvoeropening.

[Fig. 4.4.1] (P.3)

A:

25 cm

B:

1,5 – 2 m

A

Neerwaartse helling van meer dan 1/100

B

lsolatiemateriaal

C

Bevestigingssteun

D

Afvoeropening

E

Geïsoleerde leiding (meegeleverd)

F

Aantrekband (meegeleverd)

G

band voor de slang (meegeleverd)

H

Afvoerslang (lengte 200 mm)

Installeer, zoals aangegeven in 

3

, ongeveer 10 cm onder de afvoer-

openingen een verzamelleiding met een naar beneden lopende helling van

meer dan 1/100ste. De verzamelleiding moet van VP-30 zijn.

Laat de afvoerleidingen uitkomen op een plaats waar geen stankontwikkellng

kan optreden.

Laat de afvoerleidingen niet uitkomen op een afvoer waar geïoniseerde gas-

sen kunnen ontstaan.

Hoewel er geen beperkingen zijn wat betreft de keuze van de richting van de

afvoer, dient men echter wel met bovenstaande instructies rekening te hou-

den.

Indien het optionele afvoerverhogingsmechanisme gebruikt wordt, moet men

de instructies opvolgen zoals in de bijbehorende handleiding voor de afvoer-

leidingen zijn beschreven.

[Fig. 4.4.2] (P.3)

A

BC-bedieningseenheid

B

Binnenapparaat

C

Verzamelleiding

D

Maak zo groot mogelijk. Ongeveer 10 cm.

2. Afvoertest

Wanneer u klaar bent met de afvoerpijpen, maak dan het paneel van de BC-

bedieningseenheid open, vul de pijpen met water, en test de afvoer. Op dit mo-

ment dient u ook te controleren dat er geen water lekt bij de aansluitingen van de

pijpen.

3. Isolatie van de afvoerleidingen

Breng voldoende isolatie aan op de afvoerleidingen, net zoals voor de koelleidingen.

 Voorzichtig:

Verzeker u ervan dat de afvoerleidingen met warmtebestendige isolatie geï-

soleerd worden om condensdruppels te voorkomen. Als de leidingen niet

correct gemonteerd zijn kan er waterlekkage ontstaan waardoor waterschade

kan optreden.

Smeltveiligheid

Aardlek-

schakelaar